Mijn partij

cdenvessenOns land zit nu al bijna vier jaar in een haast voortdurende politieke impasse. Nooit eerder stonden beide landsgedeelten zo diametraal tegenover elkaar. Nooit eerder is de politieke apathie groter geweest. En nooit eerder kende mijn partij in zo’n kort tijdsbestek hoogtes en laagtes van dergelijke omvang. Na jarenlang engagement doet dat pijn, want de kracht en de inzet van de zovele honderden militanten verdienen heus meer dan een nul op het rekest. Twaalf jaar Christen-Democratie, balancerend tussen euforie en smart, maar steeds met beide voeten op de grond.

Ik raakte persoonlijk betrokken in de structuren eind 1999. Van opportunisme kon u mij bezwaarlijk beschuldigen: de partij had net veertig jaar regeringsverantwoordelijkheid opgenomen en was na die vermaledijde dertiende juni in de oppositie beland. De VLD, die was hip. Daar moest je zijn om er bij te horen, maar het programma en nog veel meer de stijl van de Vlaamse liberalen spraken me niet het minste aan. Neen, als we er dan toch wat van onze kostbare tijd willen aan spenderen, geef ons dan maar een partij die zich tot alle lagen van de bevolking richt en die bewezen heeft dat ze met bekwame en integere mensen dit woelige land kan besturen. De CVP it shall be, maar was dat nu net een partij die in een ongeziene crisis was beland. De dreun was hard aangekomen.

Stefaan De Clerck, de enige figuur die niet echt was afgegaan, kwam al snel aan het roer. De Kortrijkzaan had er zin in. We zouden nadenken over wie we zijn, over onze boodschap en moesten dringend ons programma actualiseren. De structuren moesten worden opengegooid (remember de bijenkorven?) en, last but not least, een nieuwe naam ging de kers op de taart worden. De voorzitter stond voor een hachelijke taak: tegelijk renoveren en geloofwaardig oppositie voeren, maar ook weten dat hij als locomotief eigenlijk een trein moest trekken die te zwaar was om op snelheid te komen. Politieke communicatie was in een razendsnel veranderend medialandschap niet zijn sterkste punt en dat wist hij ook wel, maar hij en de partij werden er genadeloos op afgerekend. Het moet voor de man zwaar zijn geweest en dat hadden wij als Jongeren ook niet steeds even goed begrepen. Le parti, c’était lui. Hoezeer de verschillende kopstukken ook hun best deden om hét alternatief voor paars(-groen) voor te stellen, steeds stond de CVP, en later CD&V, gelijk aan wollig taalgebruik, want die voorzitter, dat was toch geen groot licht. Hij kon niet duidelijk maken waar zijn partij voor stond en als hij dat niet kon, dan kon de rest van de partij dat ook niet. Punt. Pas nadien werd duidelijk wat voor hondenstiel Stefaan De Clerck toen heeft moeten verrichten. Incasseren, inderdaad, maar daar deden we toen allemaal aan mee. Dat is uiteindelijk zelfs normaal. Politiek is niet voor koorknaapjes, al kan je soms twijfelen aan de effectiviteit van dit hard-tegen-onzachtspel.

Op de dirigent schieten is makkelijk. De fundamentele keuzes werden echter collectief gemaakt en door de leden op de congressen goedgekeurd. Van 1999 tot en met 2001 werden inhoudelijk – ondanks de modeterm wolligheid – duidelijke standpunten ingenomen. Het sociaal-economisch programma stond, op wat punten en komma’s na, weinig ter discussie. Op ethisch vlak gingen we er grondig op vooruit; als Jongeren militeerden we voor het homohuwelijk en haalden, tegen alle verwachtingen in, onze slag thuis. Ook op dat laatste punt, de V, bereikte de partij een al dan niet lichtjes geforceerde consensus. In die nieuwe naam stond de letter voor Vlaams. De partij heeft altijd al een sterke en mondige Vlaamse vleugel gehad. Hoe zou je zelf zijn: je kan een uitgelezen kans om een thema, met een groot electoraal potentieel, toch niet zomaar laten passeren? Verbaal sterke vertolkers, makkelijk aan de man te brengen en een zee aan mogelijke klanten: wat kan je meer wensen? Eerlijk is eerlijk: het Congres van Kortrijk van eind september 2001 stemde het confederalisme en de staatsdragende partij begon sterker dan ooit een Vlaamse koers te varen. De keuze was door het opperste orgaan gemaakt en daar moesten we ons als militant bij neerleggen. Zo gaat dat nu eenmaal in een democratische partij.

Ik keerde met gemengde gevoelens uit Kortrijk terug. Ja, we stonden er weer, opgefrist en met veel enthousiaste militanten die er elke dag opnieuw weer voor gingen. Aan de andere kant moesten we als diezelfde militant, die rotsvast in de fundamentele socio-economische boodschap van de partij gelooft, steeds erbij vertellen hoezeer we aan dat Vlaanderen verknocht waren. Meer Vlaanderen en minder België. Als studenten kwamen we heel vaak in contact met andersdenkenden en moesten dus steeds heel wat moeite doen om mensen van ons alternatief te overtuigen. “Zijn jullie dan voor een onafhankelijk Vlaanderen?” Neen, dat ook weer niet. Of toch een klein beetje? Een heel klein beetje misschien. Ik voelde me daar ongemakkelijk bij. Vlaams was bon ton, het woord België hanteren was naïef. Maar goed: my party, right or wrong. We probeerden de officiële standpunten te verkondigen, maar het leverde steeds een vlaag van buikpijn op. Wie in deze materie een gematigde en redelijke overtuiging heeft had het moeilijk. Ik had een viscerale afkeer van de stijl en het programma van de Volksunie en later de N-VA. Nu moesten we als overtuigde Christen-Democraten ook de nadruk op een analoog discours leggen. Het was uiteindelijk voor de goede zaak.

In 2003 plakte het CD&V-cement nog niet. Paars kon niet gebroken worden en Verhofstadt – de baarlijke duivel – kon aan een tweede ambtstermijn beginnen, met dank aan de alomtegenwoordige teletubbies. Stefaan De Clerck werd bedankt voor bewezen diensten, die, alles in ogenschouw genomen, in de gegeven omstandigheden niet gering waren. Een kapitein kan in een woeste zee zijn schip zo goed en zo kwaad als mogelijk rechthouden, maar soms zijn de golven té sterk. Yves Leterme nam het roer over en het leek de man van de laatste kans. Hoe krijgen we de boel weer op de rails nu al onze inspanningen niet lijken aan te slaan? De rekensom was snel gemaakt. Er werd op de V ingezet en op 14 februari 2004 was het kartel CD&V-N-VA een feit. Opnieuw was het voor sommige militanten met veel spijt in het hart, maar de partij had een keuze gemaakt met rationele argumenten. De Vlaamse verkiezingen werden dankzij de ongeëvenaarde Respect-campagne (en het zichtbaar worden van het jarenlange geklungel van Verhofstadt) gewonnen door CD&V-N-VA, al voelden ze de hete adem van extreem-rechts in de nek. En ja, soyons sérieux, op dat moment had het zogenaamde Vlaams Kartel er voor gezorgd dat we als militant niet meer als politieke paria werden behandeld. Dat was mooi meegenomen, met dank aan die V. Ondertussen, en dat is geen onbelangrijk detail, was de verhouding met zusterpartij cdH beneden het vriespunt gezakt. Milquet’s capitulatie bij de Lambermontakkoorden had diepe wonden geslagen. Een partijgenoot omschreef het plastisch: “Beide partijen lijken op elkaar zoals een paard en een zebra.”. Of een andere: “Tja, wij hebben nog een gemeenschappelijke rekening en er zijn de mooie ogen van Joëlle Milquet.”. Het ongenoegen was niet meer dan terecht en die mooie ogen van Milquet, euh, u begrijpt dat enige ironie zich van ons meester maakte. Cynisme was voor later.

L’état de grâce van de Vlaamse Leterme I duurde lang. Terecht. Er waaide een nieuwe wind door de regio. Behoorlijk bestuur en nederigheid werden geapprecieerd. De regering had ook de portefeuille mee en kon goede resultaten voorleggen. Elk congres klonk het applaus harder. Bovendien was er steeds een delegatie van de vrienden van de N-VA aanwezig. Geert Bourgeois liep er in het begin heel onwennig rond. Het was niet evident voor de man: hij had zijn leven lang in Izegem tegen die CVP gestreden. Lokaal kon er in de borstelstad immers onmogelijk een kartel worden gevormd. De ironie van een tijdelijk politiek fenomeen. We moeten eerlijk blijven. Het was dan wel niet mijn droomformule, maar we haalden er stemmen mee. In een democratie zijn die nu eenmaal noodzakelijk om je programma te kunnen uitvoeren. Het gaat om het eindresultaat.

En toen kwam 2007. Als minor doch onvervangbare partner van het kartel kon de N-VA naar hartelust haar radicaal Vlaams programma in de campagne uitspelen. Verhofstadt, die verrader van de Vlaamse zaak, was politiek opgebrand en het kartel had een eenvoudige en duidelijke boodschap. Yves Leterme haalde een monsterscore en wist meteen hoe laat het was. Met 796.000 voorkeurstemmen heb je geen vrienden meer. Er was veel beloofd; de druk was enorm. De Big Bang moest er komen en de man die het compromis moest realiseren speelde één tegen allen. De rest is geschiedenis. Die zomer kon de partij nauwelijks op enige vorm van medewerking of clementie rekenen. Madame Non was geboren. Met haar Franstalige collega’s bleek evenmin iets aan te vangen. Twee aparte publieke opinies hadden het antagonisme op de spits gedreven. Met de Franstaligen viel gewoon geen land te bezeilen. Nous ne sommes demandeurs de rien. Het was niet enkel slecht toneel, het was ook tegen alle ratio in. Zestig procent van het huwelijk wou over de relatie praten; veertig procent negeerde elke redelijke dialoog. De onderhandelingen mislukten; na het Verhofstadt III-intermezzo raakte Leterme I niet op dreef. En passant splijtte het kartel en tegen kerstmis zorgde Fortis voor de totale crash.

De breuk van het kartel was vooral voor de vader ervan een pijnlijke zaak. Tijdens een inderhaast samengeroepen congres in Molenbeek zagen we bedroevende taferelen, maar zij die er nooit echt fan van waren geweest konden daarvoor moeilijk een traan laten. Wel voor het openlijke lijden van de partij. Met heel die kartelhistorie blijf je als militant worstelen. Ja, het leverde ons een verkiezingsoverwinning op en we konden hierdoor een deel van ons programma realiseren. Dat is uiteindelijk belangrijker dan het knagende gevoel bij een minderheid van de militanten. Die minderheid was groter dan men aanneemt, maar alle neuzen moeten nu eenmaal in dezelfde richting wijzen. Op korte termijn heeft het kartel zeker vruchten afgeworpen. Dat was hoog nodig. Op lange termijn bleek het een blok aan het been. De partij heeft nadien – au besoin de la cause – haar vroegere staatsdragend karakter eventjes terug opgenomen, maar deze formule bleek tijdens de verkiezingen van 2010 niet meer geloofwaardig. Persoonlijk kon ik mij perfect vinden in het gematigde discours van die campagne, maar het was damage limitation. Het spektakel was op de spits gedreven en de Vlaamse kiezer koos voor meer radicale maar duidelijke taal. Jammer.

Here we are now. De partij zakte naar een historisch dieptepunt en ketende haar wagonnetje terug vast aan de N-VA van Bart De Wever. De draad van voor juni 2007 wordt weer opgepikt, maar dan in een omgekeerde positie. Daar waar de ter ziele gegane Volksunie door de Christen-Democraten werden gereanimeerd, daar dreigt mijn partij door het verloop van de feiten door diezelfde N-VA naar de woestijn te worden gestuurd. Paniek is nooit een goede raadgever, maar stilaan rijzen vragen naar de unique selling position van CD&V. Eén ding stelt me gerust: voor de Vlaamse Zaak en het one issue-denken is er een beter alternatief. CD&V zal de Vlaamse Leeuw alvast niet harder moeten laten brullen dan de N-VA. Waar moeten we dan op terugvallen? De vraag stellen is in se al een belediging. De partij heeft een verschrikkelijk waardevol maatschappelijk project. Iedereen moet in deze samenleving zijn of haar plek kunnen vinden: sociale bescherming en vrij initiatief zijn de hoekstenen van ons maatschappelijk bestel. Een efficiënt staatsapparaat is daartoe een noodzakelijke voorwaarde. Aan deze staatsstructuur moet worden gesleuteld. Daarvoor hébben we, chers amis francophones, een staatshervorming nodig, maar dan één waarin vlag en wimpel geen rol spelen. De discussie moet van haar passies en donderpreken worden ontdaan. Wij hebben geen Vlaamse Leeuw nodig om deze staat beter te doen functioneren. Alleen: met een symbool kan je de boodschap zoveel beter verkopen. Nuance is niet in een logo of een vlag samen te vatten. Jawel, de ampersand, maar dat is een doordenkertje waarmee we niet kunnen scoren. Het is een historisch probleem: hoe breng je een te rijke boodschap aan de man? Ik weet het ook niet. We kunnen alvast maar onze plicht doen: dagdagelijks met gezonde alternatieven komen en op de verschillende bestuursniveau’s doen wat moet worden gedaan. Verantwoordelijkheid nemen, maar dat klinkt zo moraliserend.

Dreigt de woestijn? Eventjes wellicht en misschien langer dan gewenst, maar politiek blijf een cyclisch gegeven. Geen enkel regnum blijft duren. Jean-Luc Dehaene was ooit uitgespeeld. Steve Stevaert was na 2003 nog slechts een schim van zichzelf. Guy Verhofstadt ging traag op en steil neer. Het Blok scoorde in 2004, maar kwijnde weg. Yves Leterme haalde ongeziene scores, maar ook dat liedje bleef niet duren. Bart De Wever weet als de beste dat hij de volgende in dat rijtje is. Vroeg of laat. Daarna is het weer aan iemand anders. Wie dat zal zijn weten we niet. De tijd van de ongenaakbaren is voorbij. We kunnen alleen maar hopen dat de volgende formule de onze wordt. Zeker is dat niet. Ondertussen moet de partij verder doen waar ze goed in is: midden de mensen. De unique selling position.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: