Einde van het exceptionalisme

Ontmoet geen helden. Het kan je leven verwoesten. Een mislukte confrontatie met je imaginaire droombeeld zorgt voor niets dan kommer en kwel: waar heb je al die tijd in hemelsnaam naar opgekeken? De gedachte om zoveel vitale tijd in een onmetelijke leegte te hebben geïnvesteerd moet ondraaglijk zijn. Het is overigens maar de vraag of zelfs de mildere vorm van idolatrie, met name fascinatie, uiteindelijk ook niet wordt afgestraft. Moedige krijgers, zoals Geert Mak, wagen het er op. Hij toerde de Verenigde Staten rond in de voetsporen van John Steinbeck, één van zijn literaire helden. Baat het niet dan schaadt het niet: blijkt Steinbeck’s Travels with Charley meer gefingeerd dan zelfs de grootste fan wil toegeven, dan nog zal de tocht een stand van het land anno 2010 genereren. Niet getreurd dus: de mogelijke ontgoocheling is in het slechtste geval een flinke leidraad om het boek te schrijven waarvan elke Amerikafan auteur zou willen zijn. Eigenlijk is het land op zich voor Mak nog een veel grotere muze dan haar literaire discipel.

Voordat je Reizen zonder John aanpakt kan je best eerst Travels, half zo dik, doornemen. John Steinbeck, gevierd auteur en twee jaar na het schrijven van het boek laureaat van de nobelprijs literatuur, vatte in 1960 het plan op om nog één keer een grand tour van zijn land te maken. Hij was op dat moment 58 en voelde zijn krachten afnemen – nauwelijks acht jaar later stierf hij. Het was gelukkig niet te laat om te onderzoeken of er nog iets van het opgewekte en energieke Amerika uit zijn jeugd overbleef. De fifties liepen nu op hun laatste benen. Ging het ongebreidelde naoorlogse optimisme en vooruitgangsdenken zich doorzetten of zat er sleet op de droom? Steinbeck gaf zichzelf, zijn truck Rocinante (naar het paard van Don Quichotte) en zijn hond annex metgezel Charley een tweetal maanden voor de opdracht.

Geert Mak, die zelf in de fifties groot werd, pikt er meteen op in en schetst erudiet de context. Zelfs in de emancipatorische Levittowns werd het leven van de bredere middenklasse toen razendsnel aangenamer: er was werk, er waren consumptieproducten, er was tv en des zondags de dag des Heren. Maar er dreigde ook onheil: de Sovjets met de Bom, de inquisitie van McCarthy en de eigen demon der zelfgenoegzaamheid. Miljoenen tweede- en derderangsburgers hingen desperaat aan de onderkant van de sociale ladder; racisme was meer dan geïnstitutionaliseerd. Rosa Parks was nog maar net blijven zitten. Steinbeck laveerde bovendien middenin de bittere strijd om het Witte Huis, waarin Nixon en Kennedy de limieten van een democratie wel heel ruim interpreteerden. De toon was gezet; een succesvolle sequel van de fifties werd plots een stuk minder evident.

De tocht van kwam traag op gang. Steinbeck was depressief en raakte vaak niet verder dan oppervlakkige gesprekken met mannen in diners, families op campings en winkelbediendes in smalltown America. De kleine man. Mensen met hun gebeurlijke problemen die, zij het niet steeds zonder problemen, de eindjes aan elkaar knoopten, al dan niet op krediet. Brood en spelen, go with the flow en de beeldbuis als steeds weerkerende gezel. Maar, zoals James Dean zich terecht afvroeg, who lives? Wat heb je nog van identiteit en opinie in het geoliede en strak geregisseerde maatschappelijke raderwerk? Misschien had men de tijd niet om er over na te denken. Mak leest vijftig jaar later in diezelfde diners, campings en hotels in het noordoosten opnieuw niets dan gelatenheid van de recht voor zich uit starende gezichten af. Iedereen voelt zich, elk op zijn eigen manier, in de steek gelaten. In de eerste plaats door de overheid, uiteraard, maar in tegenstelling tot 1960 is men er nu niet meer van overtuigd dat het snel beter zal worden. Het fatalisme druipt van Mak’s getuigenissen. Weg vooruitgangsoptimisme. Ver weg.

Het relaas was al bijna halverwege toen Steinbeck in Detroit arriveerde, nauwelijks een vijfde van de afstand achter de rug. Motor City was anno 1960 misschien al wat over haar hoogtepunt heen, maar het verval verbleekte bij de impasse waarin de stad vandaag terecht is gekomen. De bevolking halveerde de voorbije vijftig jaar; de crisis van 2008 bracht de genadeslag voor wie op de limiet leefde. Hele wijken zijn verlaten, huizen worden geplunderd, er wordt ernstig gemoord. De auto-industrie is intussen gedelokaliseerd. Want ook dat is Amerika: mobiliteit is een way of life. Waar werk is komt men van heinde en verre naartoe; verdwijnt het werk, dan trekt men als nomaden spontaan naar een ander centrum van activiteit. Langs het netwerk van Interstates, die in 1960 nog in volle opbouw waren, vonden constant volksverhuizingen plaats. Het is er nog steeds de evidentie zelve dat je niet per definitie woont waar je geboren of opgegroeid bent. Zodoende is Detroit nu bijna een ghost town geworden. Mak zou het slechte nieuws wellicht niet aan Steinbeck willen brengen.

Om het land te doorgronden blijft het voor een Europeaan moeilijk om de Europese bril af te zetten. Het zijn twee andere continenten. Geert Mak doet zijn uiterste best om zich in de mindset van Amerikanen in te leven, maar van sommige particulariteiten blijven zijn haren ten berge rijzen. Ze riskeren op middellange termijn de positie van het land te ondermijnen. Het vrijheidsideaal en de daarmee verbonden fundamentele aversie van overheidsinmenging zorgen voor een haast ridicule en helemaal te voorkomen obstructie van het maatschappelijke en economische leven. Zo is de lamentabele toestand van het Californische wegennet exemplarisch: de wegen zijn hopeloos krakkemikkig, maar elke politicus die de belastingen maar een fractie wil verhogen om de koe bij de horens te vatten tekent genadeloos zijn politiek doodvonnis. Of het grotendeels verwoeste New Orleans, dat ook na Katrina in de kou bleef staan; de overheid was er onvergeeflijk in gebreke gebleven. Daar klaagt men ook in Louisiana steen en been over, maar met een habbekrats aan geld en mentaal geautoriseerde autonomie kan zelfs de sterkste staat geen wonderen verrichten. De samenleving van de eenentwintigste eeuw is exponentieel complexer dan die van de eerste settlers, de tijd van de gold rush of zelfs de golden fifties. Dit obstinate verzet tegen collectieve inspanning moet zich ooit wreken. Maar het heeft tegelijk een magnetische kracht. Voor migranten en gelukszoekers, zo oppert Mak, is het soms een fundamentele keuze: gaan we voor het veilige Europa waar we met wat geluk van een temperende verzorgingsstaat kunnen genieten of willen we Amerikaan worden? Je neemt er grotere risico’s, maar kan er tegelijk écht veel geld verdienen.

Ook dat tweede ideaal, het Amerikaanse exceptionalisme, lijkt hopeloos gedateerd. De toch wat bescheiden (of timide?) Europeanen kunnen zich er zelfs niets bij beginnen voor te stellen: het idee dat je een uitzonderlijk volk bent, chosen by God, en dat ook, met vlagen, de hele wereld daarvan overtuigd moet worden. Ons eigen pedant paternalisme van voor de dekolonisatie verbleekt er bij. Betweterig, maar anderzijds ook de drijvende kracht achter veel dynamisme en ondernemingszin. Werken en niet bij de pakken blijven zitten, met een haast messiaanse opdracht om de eigen uitzonderlijke gaven uit te dragen. Met veel miserie in andere continenten tot gevolg, want wat de kennis van de externe doelgroep betreft valt er toch nog één en ander te leren.

Maar je kan in de Verenigde Staten bij een groot deel van zowel rechts als links niet aan deze maximes twijfelen. Dat ondervond Steinbeck bij een bezoek aan zijn zussen in Salinas, California, waar hij opgroeide. De schrijver was intussen een echte liberal van de oostkust geworden – zelfs een communist, het grootst denkbare scheldwoord tijdens de Koude Oorlog – en bij elke politieke discussie laaiden de gemoederen hoog op. Het werd een dovemansgesprek; de verdachte democraat kon bij zijn conservatieve en patriottische bloedverwanten op geen enkel moment op begrip rekenen. Het blijft hoe dan ook de vraag of het exceptionalisme en het overheidswantrouwen de uitdagingen van deze nieuwe eeuw nog aan kunnen. Mak’s ervaringen, van Maine tot Minnesota en van Oregon tot Texas, zijn vaak ronduit deprimerend. Zijn pessimisme is voor elke Amerikanofiel – we pleiten schuldig – hartverscheurend. Maar je kan niet aan de realiteit ontsnappen. Daar veranderen zelfs strenge Europese ogen niets aan.

Geert Mak zat Steinbeck tijdens de vijftigste verjaardag van Travels op de voet, maar hij was lang niet de enige. Een aantal Steinbeck-experts reden met dezelfde plannen rond. De ene al wat maniakaler dan de andere, maar hun vaststellingen wezen telkens in dezelfde richting: de auteur nam in zijn werk af en toe een loopje met de realiteit. Dit was niet louter proza. Er werd op verschillende plaatsen aan de chronologie gesleuteld; sommige passages kunnen bovendien moeilijk kloppen. Het irriteerde Mak meer dan eens, maar wat deed het er uiteindelijk toe? De held is dan toch een held gebleven. De klassieker van Steinbeck is de ideale kapstok om de Verenigde Staten van een stevige portie context te voorzien. Geert Mak is een fenomenale verteller die na elke leerzame uitweiding naar de essentie terugkeert. Tijdens de duizenden mijlen Interstates raak je de weg nooit kwijt. Integendeel, je zou ze met deze gids liefst zo snel mogelijk zelf helemaal afrijden.

John Steinbeck, Travels with Charley
Geert Mak, Reizen zonder John

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑

%d bloggers liken dit: