Wie braaf is de roe

De commies valt veel te verwijten, maar in één ding blonken ze uit. Collectivisering bracht op veel plaatsen ook een groter aanbod aan publieke voorzieningen mee. In Odessa zagen we bij elk verpauperd huizenblok een even aftands speelpleintje. Vaak was het niet meer dan een gammele schommel, een geroeste wipplank of een wankele glijbaan, maar er was ten minste iets waar de kinderen zich tot op de dag van vandaag mee kunnen vermaken. Mens sana in corpore sano. En het gaat verder. Zowel in het kuuroord aan de Zwarte Zee als in Kiev en Budapest zijn grotere boulevards en kruispunten intelligent ondertunneld. De Khreshchatyk, die in de Oekraïense hoofdstad het legendarische Maidan doormidden snijdt, heeft een ondergrondse doorgang die de ene helft van het plein met de andere verbindt. Uiteraard ideaal voor al dan niet vermomde troepen, maar in vredestijd zorgt het voor een vlotte en veilige circulatie. Idem in Budapest: op het brede Kalvin Ter kan je via een intelligente onderaardse kruising zonder enige vertraging elke hoek van het plein bereiken. Dergelijke constructies zouden mijn dagelijkse oversteek van de Antwerpse Van Ertbornstraat en Frankrijklei een stuk eenvoudiger maken.

Maar bovenal blonk Budapest uit in de beschikbaarheid van de publieke voorziening der publieke voorzieningen: openbare toiletten. Op talloze plaatsen kon je tegen een minimale vergoeding een grote of minder grote boodschap kwijt. Zelfs na het beklimmen van de steile Varhegy – via funiculaire uiteraard – kan je op een steenworp in een klein kamertje terecht. Plaspunten waren zelden zo talrijk aanwezig. Handig voor de eigenaar van de nerveuze blaas.

CQiCslrWIAARyGIIn België tieren ze minder welig. Soms vind je ergens een verdwaalde piscijn naast een kerkmuur; in de meer geavanceerde uitgaanscentra staat er wel eens een mobiele urinoir op de plaats waar er bijzonder veel nood aan is. Maar het blijft een exclusief mannelijke aangelegenheid. Rest nog de stations waar beide geslachten doorgaans terecht kunnen. Laten we eerlijk zijn: de NMBS had tot nog toe een aanvaardbare reputatie in deze. Zelfs het station van het West-Vlaamse Kortemark – als oord bezwaarlijk een schoolvoorbeeld van hyperactiviteit te noemen – had in een bijgebouwtje voor beide geslachten een toilet. Intussen is het station door een automaat met noodknop vervangen en verdwenen de toiletten achter slot en grendel. Andere stationstoiletten zijn er wel nog; zo kan je in Gent-Sint-Pieters terecht tot een bepaald uur in de avond, waarna een nachttoilet het roer overneemt. Wellicht is dat in andere grote centra eveneens het geval, zij het dat er na de avondsluiting niet overal een nachttoilet aanwezig is.

Niet zo in Waregem, onze nieuwe thuis. Toen we zaterdag een persoon in nood in het NMBS-station van de Stad in Galop de weg naar het toilet wezen kwam bovenstaande boodschap te voorschijn. En Twitter gaf een antwoord.

//platform.twitter.com/widgets.js

Iedereen kookt wel eens van woede. Het is niet meer dan terecht dat de kuisploeg haar ongenoegen uitschreeuwt. Dat kan in deze omstandigheden niet luid genoeg gebeuren. Maar is een al dan niet definitieve sluiting wel een goede oplossing? Tot voor kort kon je enkel toegang tot de toiletten krijgen door de sleutel aan het loket te vragen. Geen probleem: als je op die manier én vandalisme kan voorkomen én je behoefte kan doen, dan kunnen we deze gulden middenweg perfect begrijpen. Maar dat was zaterdag niet meer het geval. Daar stonden we dan. De man had al twintig minuten voor de gesloten deur van een treintoilet gestaan. Gelukkig kon ons bloedeigen toilet op een boogscheut van het station soelaas bieden. Maar niet iedereen woont op een boogscheut van het station.

Op haar website maakt de NMBS geen melding van de aanwezigheid van een regulier toilet, maar een gehandicaptentoilet zou er wel zijn. Wat je niet uitdrukkelijk vermeldt kan ook niet tegen je gebruikt worden.

stationwaregem

Het voorval doet vragen rijzen. Is dit een al dan niet welgekomen reden om een vorm van elementaire dienstverlening af te bouwen? Stations die door een automaat werden vervangen verloren al hun toiletten, maar zullen nu ook de middelgrote centra stelselmatig volgen? Sneuvelt deze noodzakelijke service onder het mom van besparingen? Voor meer gefundeerde uitspraken zouden we de proef verder op de som moeten nemen, maar deze ervaring leert dat er toch een probleem is.

We willen uiteraard de commies niet terug, maar een debat over openbare toiletten mag er wel komen. In de huidige omstandigheden krijgen de braven de roe. En dat zou niet mogen.

Het is Steve voor de mensen

De impact van het bizarre overlijden van Steve Stevaert reikt verder dan een persoonlijk drama en heeft wellicht tientallen facetten waarover wij ons niet kunnen uitspreken. Zijn politieke carrière des te meer. De man figureerde een klein decennium lang haast dagelijks op het kleine scherm. Verafgood door de enen, verguisd door de anderen: Stevaert hàd profiel. Stevaert was een profiel op zich. Over de doden niets dan goeds, maar ik ben er niet zo zeker van dat mijn persoonlijke eindbeeld van de man onverdeeld positief is.

Jazeker, hij heeft verkeersveiligheid en de sérieux van verkeersongevallen als beleidsprioriteit op de kaart gezet. Voor zijn arrivée au pouvoir werden verschrikkelijke drama’s nauwelijks ernstig genomen. Flitscameras en forse boetes hadden resultaat en Stevaert’s politieke realisatie is misschien de reden waarom u en ik nog steeds op de aardbol rondlopen. Zijn partij profileerde zich uiteraard ook op het thema en werd daar met wisselend succes voor beloond. Pluimen op de hoed verzilveren is geen pekelzonde.

Steve Stevaert begon als eerste prominente politicus in decennia steevast te herhalen dat hij alles voor de mensen deed. Iedereen, of ze nu rood, oranje of blauw waren. Zelfs zij die naar zwart waren afgedwaald vonden bij hem een luisterend oor. Wij moeten het dan wel niet goed gedaan hebben, zeker? Wij politiekers moesten terug de taal van de mensen spreken. Allemaal goed en wel, maar waar ligt de grens tussen oprechte duidelijkheid en ordinair naar de mond praten? Stevaert had als voormalig cafébaas genoeg voelsprieten en boerenverstand – wat een verschrikkelijk woord – om tien regeerverklaringen in het Jeugdjournaal voor te stellen. De achterliggende realiteit is uiteraard exponentieel complexer en de negatieve aspecten ervan – de rekening – werden wat slordiger vertaald. Gratis was het manna. In Hasselt, de nieuwe modelstad, reden de bussen ook voor min-vijfenzestigers kosteloos. Stevaert’s erfgenamen hebben jaren nodig gehad om deze stupiede mythe uit de wereld te helpen. Het heeft de laatste legislaturen voor enorm veel ruis op de besluitvorming gezorgd.

Achter die bevlogen volksmens zat een sterk politiek strateeg. Politieke communicatie werd tot in het detail geoptimaliseerd. Hij veranderde er zelfs zijn voornaam voor. Het is nochtans geen oneer om Robert te heten, maar Steve Stevaert klonk beter. Ook de hype van de Teletubbies was een betere noemer om ouwe rotten als Johan Vande Lanotte en Frank Vandenbroucke mee te vermarkten. Anderen probeerden hem te imiteren, maar de remake is doorgaans slechter dan het origineel. De sp.a won er in 2003 glansrijk de verkiezingen mee en verbrodde het moment de gloire van Guy Verhofstadt, maar als de geoliede machine begon te sputteren en de paarse aankondigingspolitiek in één jaar tijd uit de mode raakte werd het allemaal stukken minder. In 2005 was het vacante gouverneurschap in Limburg een perfecte exit om zelf geen politiek Waterloo te moeten ondergaan. Vande Lanotte werd het veld in gestuurd en droeg de gevolgen.

Akkoord: het is oneerlijk om vaandelvlucht in te roepen. Tien jaar Wetstraat eist een gigantische menselijke tol. In Hasselt kon Stevaert terug zijn volle zelf zijn. Opperlimburger onder de Limburgers. De manier waarop hij zijn provincie keer op keer promootte getuigde van aandoenlijke genegenheid, maar voor niet-inlanders was het allemaal wat bevreemdend. Het Limburggevoel begon op vleesgeworden kuddedenken te lijken. Limburg was leuk, Limburg was fantastisch. Het heeft bij die nuchtere ik inderdaad een onuitwisbare indruk gemaakt: die van absolute dociliteit waarvan zelfs de meest chauvinistische Antwerpenaar walgt. Alstublieft mensen: leer u toch een beetje te gedragen. Met alle goede wil van de wereld: help mij om deze – partiële – erfenis van Steve Stevaert enigszins te ontkrachten. Laat de Limburger écht wereldburger zijn.

Zijn manier van politiek bedrijven was dus niet diegene waar ik van hou. In zijn partij zitten nochtans veel knappe koppen die jammer genoeg dit discours enkele jaren mee hebben moeten uitdragen. Maar Steve Stevaert was wellicht een joviale man die ontegensprekelijk voor heel wat mensen veel heeft betekend. En dat is in koude tijden een grote verdienste. Het is dan ook pijnlijk dat een kleurrijk figuur in absolute onmin ten onder is gegaan.

Laat de pendelaar pendelaar zijn

Het is bijzonder lovenswaardig dat Dokters van de Wereld er alles aan doet om de onverschilligheid in onze samenleving aan de kaak te stellen. Mensen met een andere huidskleur, met andere gewoonten of andere meningen worden in deze rijke plek nog steeds meedogenloos gediscrimineerd. Dat is al decennia lang zo en hoezeer vele goede zielen alle mogelijke tegeninitatieven nemen blijft het grote publiek aan solidariteit lip service bewijzen. Een mea culpa is in deze niet overbodig.

Toch wil ik een kanttekening maken bij de manier waarop het intussen bekende filmpje van Dokters van de Wereld is gemaakt. De boodschap was duidelijk: pas als er camera’s in de buurt zijn en het spannend wordt kijkt men naar de verstotenen Gods. Toevallig ben ik één van die passanten die dagelijks tweemaal het voetpad voor de hoofdingang van de Middenstatie bezig. En ik heb me zelf schuldig gemaakt aan onverschilligheid.

De omstandigheden zaten echter niet mee. ’s Morgens (om 8h30) stonden enkele fotografen de dame in kwestie glamoureus in beeld te brengen. Ik rook onraad, maar repte me naar mijn eindbestemming. De NMBS had me voor de zoveelste keer minstens een kwartier te laat afgeleverd. De plicht roept. ’s Avonds stond de filmploeg van Jan Verheyen er. Ha, dit was inderdaad in scène gezet en dat verwonderde me zelfs niet: op die plaats, bij de vuilnisbakken, had ik in al die weken nog nooit of te nimmer iemand zien zitten. En al zeker niet iemand die door camera’s omringd was en recht voor haar uitstaart.

Is een station wel de goede plaats om deze boodschap te brengen? Ja, de mensen kijken niet naar een bedelaar, maar is het een halsmisdaad om nét daar je naar je trein of werk te reppen? Hoe solidair je ook wil zijn, er moet brood op de plank komen. En daar hoort timing bij. Velen hebben al kinderen naar de crèche gebracht of zieke ouders waardig doen opstaan. Een station is een transitplek waar je mensen niet kan verwijten de medemens te negeren.

We willen geen kniesoor zijn en nog minder afbreuk doen aan de boodschap, integendeel, maar dit was op zijn minst een cheape plek. Jan Verheyen en zijn team hadden misschien beter een zaterdag op de Meir gekampeerd. Het icoon van inhoudsloze consumptie. Daar zou een arme bedelaar pas choquerend zijn en solidariteit een bijzonder vaag begrip lijken. Maar laat de pendelaar toch even pendelaar zijn. Laat hun caritas daar niet van afhangen. This could have been so much better.

Génération Martens

Toen de Franse ex-president François Mitterrand begin 1996 overleed verzamelden enkele duizenden jongeren op het Place de la Bastille in Parijs. “Nous sommes la génération Mitterrand”: de meesten onder hen hadden nooit een andere president bewust gekend. Deux septennats, zoals dat toen nog het geval was, van 1981 tot 1995. Iedereen die in de jaren tachtig en begin jaren negentig school liep zag de man elke avond op tv. Dat gevoel bekroop me vanmorgen toen ik hoorde dat Wilfried Martens overleden was. De premier verscheen ook bij ons elke avond voor de camera’s op het moment dat we leerden lezen en schrijven.

Gedreven door een gevoel van verantwoordelijkheid: Martens dichtte zichzelf een soort messiaanse rol toe en leefde er zijn ganse leven naar. Vlaamsvoelend zonder Vlaams-Nationalist te zijn: met zijn roep om een Vlaamse dag op Expo ’58 zette hij op een bescheiden maar niet onopgemerkte manier het streven naar respect voor taal en cultuur op de agenda. Radicaal zijn zonder alle structuren ongenuanceerd in vraag te stellen. Als CVP-Jongerenvoorzitter ging hij met de roep om federalisme, de gemeenschapsschool en progressieve frontvorming al wat verder, maar bleef respect hebben voor het institutionele kader. Hervormen door je zelf in de arena te begeven; Martens zou nooit in de Volksunie hebben gepast. Als partijvoorzitter en latere eerste minister hertekende hij het land in overleg met alle partijen. Ook met het noodzakelijke kunst- en vliegwerk, jazeker, want politieke revoluties zijn in dit land na 1830 nooit een doeltreffende oplossing gebleken. Met die vaardigheden op zak trok hij vanaf 1992 naar Europa en daar bleken ze van onschatbare waarde. Zijn legendarisch persoonlijk verantwoordelijkheidsgevoel dreigde af en toe wat karikaturaal te worden, maar toch: Wilfried Martens gebruikte tot zijn laatste snik al zijn talenten om aan een betere wereld te werken. Chapeau.

In 2006 ontstond een soort Martens-hype. De publicatie van zijn memoDSC07356ires, Luctor et emergo, zette de ex-premier weer volop in de schijnwerpers. Hij kwam in de ene tv-show na de andere en er werd in Gent zelfs een geprezen toneelstuk over zijn carrière opgevoerd. Martens was hot, Martens was voor heel eventjes terug. Na vijftien jaar afwezigheid in de Wetstraat was hij een soort enigmatische figuur geworden. Een dinosaurus uit de Belgische politiek die ver van de camera’s een schimmig Europees bestaan leidde. Dat betreurde hij vast en zeker, evenals zijn relatieve verdwijning uit het collectieve geheugen, maar genoot des te meer van de erkenning. Dat hij enkele jaren later nog tot tweemaal toe door Laken werd verzocht een depannage-opdracht uit te voeren deed hem weer helemaal verzoenen met het Belgische politieke bedrijf. De cirkel was rond. Eindelijk kreeg de elder statesman de waardering die hij verdiende.

Ik heb het geluk gehad om Wilfried Martens bij het verschijnen van die memoires te mogen interviewen. Voor Radikaal, het ledenblad van JONGCD&V, vroeg ik hem toen hoe hij in zijn ganse carrière het levend geweten van de partij heeft ervaren: van zijn Wonderbureau over de clash met de bureau’s-Eric Van Rompuy tot het blijvende Europese engagement van de jongerenbeweging. Zijn boodschap was klaar en duidelijk: “Elke generatie heeft een Wonderbureau nodig.” Steeds moeten de jongeren de beroepspolitici op hun verantwoordelijkheden wijzen.

Wij hebben geen Bastille om samen te komen. Het land dat hij hervormde om het te behouden heeft geen plaats waar noord en zuid en jong en oud samen iemand kunnen herdenken die voor ieder van ons wat heeft betekend. Maar we behoren wel tot dezelfde generatie die met Martens groot is geworden en via zijn persoon een beeld kreeg van hoe de wereld en het publieke forum functioneert.

Burgemeester van alle Antwerpenaren

Een Blijde Intrede heeft heel wat van koekendozenroyalisme. Vorige keer was ik er in Leuven zelf bij. Honderden koningsgezinden zwaaiden toen het pas gehuwde prinsenpaar toe. Wij passeerden, keken even naar de royals en de in-zijn-nopjes-zijnde-orangist Louis Tobback en zetten toen koers naar de Van Evenstraat voor een les uit de tweede kandidatuur politieke wetenschappen. De immer nuchtere burgemeester dacht er het zijne van. Samen onder één dak met Beatrix leek hem een meer geruststellende gedachte dan geregeerd te worden door nog een in mediocriteit uitblinkende Coburger. Maar manu militari weerstand bieden? Neen. Uiteraard niet. Om aan zijn eigen Keizerrijk te timmeren had hij geen Lakense machinaties nodig. Daar waren andere kanalen voor. Maar als gekroonde hoofden in spe de hoofdstad van Vlaams-Brabant op een bezoekje trakteren, waarom zouden we al hun adepten niet eens een leuke dag gunnen? Iedereen welkom. En een stad in tricolores getooid is best eens mooi. Voor één dag toch.

Een goed decennium later is Tobback nog steeds alive and kicking. En opnieuw staat hij op de eerste rij om Filip en Mathilde met alle égards te ontvangen. De sfeer van de grote dagen is eventjes terug. Jazeker, Louis had liever Willem-Alexander en Maxima zijn Rijk zien aandoen, maar ons vorstenpaar was eens te meer van harte welkom. Alle notabelen van de stad stonden de vorst en de vorstin op te wachten. Leuven kent zijn plaats in de wereld. Ze herbergt al sinds 1425 de meer gerenommeerde universiteit uit de lage landen, maar weet ook dat de stad niet het middelpunt van het land is. Okee: de universiteit misschien, maar niet Leuven an sich.

Enkele weken later was Antwerpen aan de beurt. De stad aan de stroom, die zich wel eens Romeinse allures aanmeet door zichzelf met een soortnaam aan te spreken, is wél een speler op de wereldmarkt. Als economische motor draagt Antwerpen meer dan wie ook bij tot het dynamisme en de ijver van dit lage land. Een high profile ontvangst voor de man die voor ’t Stad vele deuren opende leek vanzelfsprekend. Als leider van vele buitenlandse handelsmissies heeft de toenmalige prins Filip toch ook een beetje meegewerkt aan de voorspoed van Antwerpen.

Dat was zonder de waard gerekend. Burgemeester Bart De Wever had gelukkig nog een klein gaatje in zijn agenda voor de royals, maar kon het schoon volk niet op het Schoon Verdiep ontvangen. De trialbike-wedstrijd voor de deur gooide roet in het eten. Wat een ongelukkig toeval. Dat Laken nét nu moest langskomen. Dubbele boeking; goed bestuur betekent een prioriteitenlijst opstellen en de nieuwe burgemeester handelt dan ook in die zin. Bij gebrek aan een visite aan het huis van het gezag werd het koninklijke paar dan maar volop in de buzz rond de opening van het Red Star Line-museum ingeschakeld. Een royale zegen voor het fantastische museum mag dan wel terecht zijn, het initiatief als bliksemafleider voor intern gebruik exploiteren is een blamage jegens eigen erfgoed. Minder dan een officiële ontvangst op het stadhuis is een desavouering ten opzichte van het nog steeds geldende gezag. Niemand vraagt dat De Wever er een ode aan de monarchie brengt, maar wie burgemeester van alle Antwerpenaren wil zijn affronteert hiermee een substantieel deel van die Antwerpenaren.

Bart De Wever liet zelfs zijn anders zo te smaken ironie op stal. Het ‘geen Vlaams leeuwtje’ op de das zou in andere omstandigheden wel eens leuk zijn, maar bij dit bezoek kwam het over als een publieke uiting van persoonlijke aversie. Je hoeft je niet te amuseren, maar het vergallen van het feestje van andersdenkenden is het ambt van een burgemeester onwaardig. Is het nu zo moeilijk om je eigen obstinate frustraties voor eventjes aan de kant te zetten?

Niemand kijkt ervan op als Filip Dewinter zich als een brutale schobbejak gedraagt. De man rukte een Belgische vlag uit de handen van een patriot en verscheurde het ding voor de ogen van het staatshoofd. We hadden niets anders verwacht. Dat De Wever als partijvoorzitter zijn kat zou sturen al evenmin, maar een burgemeester moet zijn plicht vervullen. Ook de wellicht talrijke N-VA-kiezers die zowel voor haar voorzitter als voor de koning sympathie hebben verdienen een dagje vlekkeloos vertier.

Zo zie je maar. Orangisten versus Vlaams-Nationalisten: relativering van staatsgezag versus weinig vermomde haat. Op een dag als deze worden niet enkel de stalen zenuwen van een politicus aan een test onderworpen, maar ook de openheid van geest. Wijlen Hugo Schiltz, De Wever’s meest briljante voorganger, zou eens diep hebben gezucht. Stijl is niet iedereen gegeven.

Heilige koeien

Ik heb het intussen opgegeven om bij weer eens een demarche van deze of gene perszijde moord en brand te schreeuwen. Enkele jaren geleden, toen Yves Leterme nog de gebeten hond was en Peter Vandermeersch hoofdredacteur van De Standaard, kon ik er moeilijk aan weerstaan om mijn ongenoegen te uiten over de zoveelste achterbakse machinatie van de vaderlandse journaille. Het begon maniakale vormen aan te nemen, maar men maakte het ons niet makkelijk om zelf niet in onze pen te kruipen. Te lange leste klaagden we zelfs gênante tikfouten op de homepages aan. Het mocht allemaal niet baten; ons obstinaat gezeur bracht geen zoden aan de dijk. Moegetergd legden we onszelf het zwijgen op en zochten troost bij de gedachte dat niemand het populistische discours nog ernstig nam. We zegden dag met het handje aan de krant en audiovisueel journaal en gebruikten de online media nog enkel voor een droog feitenrelaas. Voor opiniëring en duiding zorgen we zelf wel. Het spaart ons geld en de planeet bomen. Gelukkig haalt buitenlandse pers een stukken hoger niveau en kunnen we daar ons ei kwijt.

Duidelijke taal

Perskritiek is sowieso een delicate kwestie. Uiteraard moet men alle vrijheid hebben om te controleren wat politici uiteindelijk met de overheidsmiddelen doen. De pen, de printer en het omnipresente web maken hen bijzonder machtig; de consument heeft er nood aan en de één slikt het commentaar al sneller dan de ander, net zoals de ene journalist al tendentieuzer is dan de vakman die van objectiviteit een erezaak maakt. Tegen dat eerste type sta je al machtelozer dan tegen een harde preek van Walter Zinzen. Dit keer was ik maar een halve petanqueworp van de Twitteraar van dienst verwijderd. Tijdens de presentatie van de Innesto-voorstellen overliep CD&V-voorzitter Wouter Beke een aantal items die na de initiële brainstormsessies in een tekst waren gegoten. Live werden twee mineure quotes de ether in gestuurd.

//platform.twitter.com/widgets.js

//platform.twitter.com/widgets.js

De Wetstraatjournalist van dienst is ongetwijfeld een geleerd man die goed weet hoe de beruchtste straat van Brussel functioneert. Hij heeft de voorbije zware jaren een grondige expertise opgebouwd, maar, tja, ook hij moet de ijzeren onelinerwet opvolgen. Dat de context – het enige stopwoordje van Bart De Wever waar ik van hou – van secundair belang is doet er jammer genoeg minder toe. Duidelijke taal zorgt voor duidelijke communicatie en nu, aldus de goegemeente, de gastheer voor één keer niet in enerzijds-anderzijds-termen praat moet die rechtlijnige conversatie ook met een krachtige volzin worden verkondigd. En, geef toe, wie kan twee in twijfel getrokken heilige koeien nu laten liggen? Misschien wou de reporter het in se iets minder cru stellen, maar de adrenaline van het moment was te sterk. We willen ons gerust even in zijn hoofd verplaatsen: hij is ook maar een mens. Dit kon zijn dag worden. Maar het kwaad was wel geschied. Exit context, welkom aan een namiddagje quasi-hysterisch consulteren van de stakeholders. En er was een debat op gang gekomen. Dat mag ook wel eens.

Fascinerend en choquerend

Het is tegelijk fascinerend en choquerend om te zien hoezeer twee praktisch gegroeide en comfortabele fenomenen haast constitutioneel verankerd zijn. Dat het stil laten uitdoven van het systeem van statutaire ambtenaren op een stante pede njet zou stuiten was te verwachten. De bonden spelen hun rol en hebben in deze een bijzonder militante achterban. Opteren voor een levenslange vaste betrekking binnen één van de vele overheidsdiensten is een levenskeuze die even evident is als eten en drinken. Het systeem is er en we kunnen niemand kwalijk nemen om er voor te kiezen, maar is het in een periode van schaarste wel vol te houden en zet het huidige functioneren aan tot hoge performantie? Het overgrote deel van de soldaten van de staat doen hun werk op een heel plichtsbewuste manier, maar excessen zijn, zoals ook elders, geen onbestaand feit. Deze discussie helt uiteraard altijd snel door naar clichématige voorstellingen, maar het mag niet als dooddoener van het debat dienen. We praten immers vaak naast elkaar, maar de cultuur en de voorrechten van de ene sector mogen wel eens met de rest worden vergeleken en in perspectief worden geplaatst. Wie in die ene cultuur is opgegroeid ziet bij een ervaring in die andere wereld dat zoveel vanzelfsprekendheden niet zo vanzelfsprekend zijn. Het is dus niet meer dan terecht dat ze in vraag worden gesteld. Die discussie is uiteraard licht ontvlambaar. Als politieke partij verworven zekerheden in vraag stellen vergt moed. Maar het gebeurt.

De vakantie-kwestie – het inperken van de zomervakantie van negen naar zes weken – stuit op een ander verzet. Leerkrachten reageerden verdeeld. Voor directies – betrouwbare familiale expertise is in deze beschikbaar – ligt de zaak wegens de praktische organisatie van een schooljaar minder voor de hand. Dat mag echter niet wegnemen dat zes weken vakantie voor leerkrachten en leerlingen toch een billijk pakket is? Opnieuw komt de evidentie-kwestie naar voor: ook ik dacht dat drie en een halve maand vakantie een vanzelfsprekendheid was, totdat we zelf op de arbeidsmarkt terecht kwamen. En we voelen best weinig nood om veertien in plaats van vier weken thuis te blijven; weekend- en avondwerk bestaat heus ook in andere sectoren. Kwaaie klanten evenzeer. Het blijft echter moeilijk om iedereen zonder a priori’s rond de tafel te krijgen. En zij die er nog het minst van al last van hebben, de leerlingen, laten niet na om zich van hun slechtste zijde te tonen. De reacties op de Facebookpagina van CD&V waren niet alleen oneerlijk, ze zijn ronduit vulgair. Al mag er niet gezeurd worden: wie schrijft stelt zich kwetsbaar op, maar om voor deze discussie de website van de partij te hacken moet je al bijzonder weinig blijk van menselijkheid geven. Gelukkig is slechts een kleine minderheid van het publiek hiertoe in staat, maar elke redelijke waarnemer heeft desalniettemin last van plaatsvervangende schaamte.

Mentale hygiëne

Raken aan heilige koeien is dus not done. Berichtgeving nuanceren, professionele privileges in vraag stellen en aan vakantieregelingen raken verwijst je naar een verbaal vagevuur. Tegelijk is er ook in meer modeste middens een debat op gang geschoten. De discussie van de voorbije week toont aan politiek wel degelijk om ideeën gaat en dat een partij niet bang is om gevoelige onderwerpen in een ruimer kader aan te kaarten. Jammer genoeg is die context niet aan bod mogen komen. Hopelijk zal dat in de toekomst wel worden gevaloriseerd.

Maar goed, het is best wel een geruststelling om te weten dat persoonlijke aanvankelijke verabsolutering en woede uiteindelijk steeds in debat en relativering uitmondt. Ik kan het iedereen als mentale hygiëne aanraden.

S.O.S. Geert

En toen was Geert Bourgeois er weer. Nadat hij zich enkele jaren als vakminister in de luwte hield en op zijn manier Vlaams Zelfbestuur vorm probeerde te geven duikt de Izegemnaar plots weer op. Met zijn beruchte big bang-interview – in 2014 komt alles best naar Vlaanderen, of u krijgt het met mij aan de stok – maakte hij al een rentrée in de arena die tot dan toe door zijn generaal werd beheerst. Als minister van bestuurszaken doet hij er zijdelings nog een schepje bovenop. Er blijkt immers een reglement te zijn uitgevaardigd dat Vlaamse ambtenaren verplicht om communicatie in dienstverband uitsluitend in het Nederlands te laten verlopen. Modern vertaald: tweeten en retweeten kan enkel in de taal van Claes en Claus. Een detail dat niemand had geweten, laat staan opgevolgd, indien het niet in de pers was gekomen. En dan nog: enkel een hyperpurist had de taalpolitie erop af gestuurd. Much ado about nothing, maar toch: met zin voor detail proberen de minister en zijn achterban het bestaan van de taal van de gouw te betonneren. Zie ne keer. Dat is uiteindelijk zijn volste recht, maar de slechte Vlamingen denken er meesmuilend het hunne van. We halen onze schouders op en catalogeren de minister en zijn acolieten met onze legendarische arrogantie als beati pauperes spiritu. Zij die ervan wakker liggen hebben weer een reden om krantenfora te bestormen en verbaal het nut van details te verdedigen. Uiteraard gedragen we ons ook tegenover die praktijken met linkse hoogmoed en een droge who cares. Rechts-conservatief Vlaanderen versus de zwijgende massa versus die troep arty-farty lui die het hoog in hun bol hebben: alle karikaturen zijn goed om het debat in de krant te beschrijven. Blij dat ik mij tot één van die kampen kan rekenen.

Maar toch, we zouden het geweten hebben: Bourgeois is still in office en wil blijkbaar nog één keer alles te geven. De N-VA is uiteindelijk zijn kind. Hij werd lid van de uitvoerende macht, maar moest tegelijkertijd met lede ogen aanzien dat die coming man met ‘zijn’ creatie ging lopen. Bart De Wever zal met behulp van het vehikel N-VA de geschiedenis ingaan als allergrootste na-oorlogse Vlaming. En Bourgeois… die wilde dat in het begin van deze eeuw ook zo graag. De gouden ministerkooi plaatste hem out of the picture. Nu hij de zestig voorbij is lijkt hij een ultieme poging te willen ondernemen om zichzelf alsnog het aura van onkreukbare Vlaming te geven. De man die, als de strijd gestreden zal zijn, een bijzondere soldaat in het harde gevecht tegen de gevestigde structuren is geweest. Ook hij wil in het Pantheon der Groten terecht komen. Wel, en dat hoop ik uit de grond van mijn hart, hij zal wel voor eeuwig vereerd worden in het memoriaal van Diksmuide. Maar dan wel in de schaduw van zijn vroegere secondant. Het moet pijn doen en dat is niet meer dan menselijk.

2014 wordt misschien zijn laatste kans om terug op het absolute voorplan te treden. Nu Bart De Wever in Antwerpen zijn handen vol heeft en op termijn het voorzitterschap van de partij uit handen zal moeten geven zoekt Bourgeois een plaats waar hij maximaal van betekenis kan zijn. Daarvoor moet hij noodgedwongen beroep doen op wat hij het voorbije decennium is geweest: bestuurder. Regeringsmankracht leveren waar dat nodig is. Maar dat is bijlange niet zo leuk, want het is niet de plaats waar zijn partij het meest te winnen heeft. De N-VA heeft tot nog toe geen moedige beleidskeuzes willen maken en als ze dat ooit zullen wel doen, dan zal Bourgeois die vanuit zijn functie incarneren. Omdat kiezen voor de Vlaams-Nationalisten sowieso meer verliezen is zal elk finaal compromis voor zijn strenge achterban moeilijk te slikken zijn. Mocht het nadien bergaf gaan, dan gaat Bourgeois vooraan staan om de klappen te incasseren. Het grote icoon gaat hij nooit meer worden. Rest hem dus weinig anders dan het beste te doen voor de goede zaak: het eigen grote gelijk in regeltjes stoppen. Het hoongelach van die Belgicisten zal hem een worst wezen.

Alzo kabbelde Vlaanderen voort.

De geest van Siegfried Bracke

In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 maakte het grote publiek voor het eerst kennis met een omvangrijke mediatisering van de verkiezingen. Voorheen bleef verkiezingskoorts beperkt tot saaie debatten en Uitzendingen door Derden. Met Bracke en Crabbé werd het politieke debat op een gemoedelijke manier in de huiskamer gebracht. Beide heren leken zelfs sympathiek over te komen en lanceerden tussendoor een nog piepjonge Freya Van den Bossche. De jongedame maakte een goede beurt op de buis en enkele weken later ook in de urnes; een schepenmandaat werd haar deel. Puik werk, maar jammer genoeg ging de openbare omroep rabiaat op dat elan verder. De politiek dichter bij de mensen brengen werd haar missie en de instrumenten geperfectioneerd. Tegen het begin van het vorig decennium was de gsm en het internet intussen breed ingeburgerd en daar speelden Bracke en co gretig op in: met stemtesten werden de verkiezingen één groot totaalspektakel. In shows met kijkcijferrecords voelde men de grote kanonnen rechtstreeks aan de tand. In twee zinnen moesten de heren en dames politici een bijzonder complexe materie vertalen. Wie toen nog nuance in de boodschap kon leggen was een échte crack, maar verder dan goed ingestudeerde oneliners kwam men vaak niet. Pour les besoins de la cause, uiteraard. De diverse politici hadden de regie niet meer in handen.

Een extra externe controle op het politieke gebeuren is natuurlijk niet slecht. De tijd dat de top van de BRT op het matje werd geroepen voor de minste inbreuk op ’s lands belangen ligt al een eindje achter ons. Jammer genoeg begon de zaak nu langzaamaan naar het andere uiteinde van het spectrum over te hellen. De term debilisering van de politiek viel. En daar werd de sterpresentator van de VRT stilaan het symbool van. Siegfried Bracke bleef het maar herhalen: “Maar meneer, leg dit standpunt nu eens eenvoudig uit, want de mensen begrijpen dat niet.”. Of dit iets zei over de verwoording van de politicus dan wel over Bracke’s mening over de intellectuele vermogens van de medemens laten we in het midden, maar het was een evolutie die niet meer te stoppen viel. In zijn kielzog volgde een deel van de geschreven en online pers. We zouden het geweten hebben.

Ondertussen zit de Gentenaar veilig aan de andere kant van de microfoon. De media bleef, eerlijk is eerlijk, consequent, want bij zijn overstap hebben ze ook de beerputten opengetrokken. Bracke moest even door het vagevuur toen men hem herinnerde aan zijn Valère De Scherp-columns in een blad uit socialistische middens. Of er toen van un parfum de double jeu sprake was laten we in het midden, maar het deed op zijn minst onze wenkbrauwen fronsen. Feit is dat ook hij het recht heeft om zich als politicus te engageren, zelfs bij een partij waar hij zich eerder niet toe rekende.

Die lange jaren als journalistieke moraalridder lieten toch een wrange nasmaak achter, want zijn erfenis is nog lang niet uitgewerkt. Integendeel: ik stoor me nu écht wel mateloos aan de manier waarop deze gemeenteraadsverkiezingen gecoverd worden. In elk programma worden we ermee om de oren geslagen. Peilingen, hoe (on)betrouwbaar ook, worden meteen aan de protagonisten voorgelegd: voor minder dan een reactie in de vorm van een oneliner is men niet thuis. Via deredactie.be kunnen we rechtstreeks onze vragen aan de politici in kwestie stellen. Elke stad wordt op de rooster gelegd; vaak zijn de diverse journalisten bijzonder vertrouwd met de gevoeligheden van elke locatie die een dissectie ondergaat. Campagnestunts en -filmpjes worden tot op de bodem geanalyseerd en geridiculiseerd. Kortom, de extreme overload aan informatie van de voorbije weken moeten één groot doel dienen: de kiezer zo goed mogelijk informeren zodat hij en zij de beste keuze kunnen maken.

Sta me toe dit toch als een ernstige belediging van mezelf en van een groot deel van de zogenaamd mondige burger te beschouwen. Er bestaat ook nog zoiets als een overtuiging. Verkiezingen zijn geen supermarkt waarin je het product dat je op dat specifieke moment nodig hebt kan aanschaffen. Wat die overtuiging ook is doet er niet zozeer toe, maar constant met deze hulp-om-een-goede-keuze-te-maken geconfronteerd worden is er écht wel te veel aan. Wie het nodig heeft is heus wel zelf in staat om informatie te verzamelen. Zeg mij wat er gebeurt, maar behandel mij niet als klein kind. Ik word er horendol van.

Bovendien is het constante opvoeren van de kandidaten als mensen die per se aan een elandtest moeten worden onderworpen niet eerlijk. Voor vele duizenden mensen die zich in de arena werpen is er héél véél moed en inzet nodig. Een kandidaat-politicus is niet per definitie iemand die overal in thuis is en aan een al dan niet ernstig kruisverhoor moet worden blootgesteld. Alles vereist een leerproces. We zouden er verdomd fier op moeten zijn dat er nog veel jonge en minder jonge mensen kleur willen bekennen. Want, u weet het: als je in dit land een kleur hebt, heb je ook een kleur. En dat draag je levenslang mee. Sabel ze dan ook niet met de minste pennentrek neer. Achter elke kandidaat staat trouwens nog vaak een gans team dat ook weken- en maandenlang het beste van zichzelf geeft. Uiteraard: beide kanten hebben met exposure te winnen, maar wie aan de mengtafel zit heeft het uiteindelijk het laatste woord. Die moet dan ook zijn of haar verantwoordelijkheid opnemen.

De geest van Siegfried Bracke dwaalt nog rond in de politieke arena ver buiten de Gentse grenzen. Moet dat nu écht zo’n spektakel worden? Het lijkt bijwijlen op een slechte Hollywoodversie van nobele volksverheffing. Na de verkiezingen, als alle wonden gelikt zijn, mag er wel eens een ernstig maatschappelijk debat worden gevoerd. Waarna men terug overgaat tot de orde van de dag.

Het debat en de N-VA

19-jul.-2012 18:03De Leuvense studenten die begin juli verlossend nieuws op hun pc zagen verschijnen zijn al een tijdje door Ryanair naar warmere oorden gebracht. De obligate thuisblijvers hebben jammer genoeg niet kunnen verhinderen dat deze fresco aan het Pauscollege begint te verwelken. Het statement komt de één beter uit dan de ander, maar deze creatieve bezoedeling van de publieke ruimte zien we graag door de vingers. Originaliteit verdient een breed forum. Dat zijn of haar werkstuk intussen op apegapen ligt is misschien te wijten aan een overijverige doch goedmenende partijmilitant. Woord tegen woord. Het kan hier gelukkig. Maar het ding mocht er toch minstens tot aan de verkiezingen zijn blijven hangen. De nieuwe lichting zou vóór hun eerste stem een modeste hint kunnen krijgen dat meelopen in een makkelijk verhaal toch niet zo’n evidentie is.

Let’s face it: N-VA-bashen is dezer dagen schering en inslag. De kwaliteit van de kritiek is variabel. Er is wellicht geen koelere minnaar van de gele partij dan ondergetekende, maar ik hou eveneens van volwassen oppositie tegen de oppositie. Het regent verwijten, waarvan de één al handiger wordt gepareerd dan de andere. Het recente opinieartikel van Patrick Dewael en Marleen Vanderpoorten was te gratuit en voormalige staatslieden onwaardig. Er wordt constant afgetoetst waar de partij het kwetsbaarst is. Open VLD sloeg de bal voorlopig mis, maar tegelijk wordt het voor de N-VA schijnbaar moeilijker en moeilijker om tegenargumenten te vinden.

Bart De Wever en co zijn op een punt gekomen waar, om ultiem succes te bereiken, de grens tussen gezonde ambitie en hoogmoed flinterdun is geworden. De N-VA wil van het momentum gebruik maken om naast een politieke overwinning ook een groot deel van de Vlaamse Beweging wit te wassen. Het hoeft geen betoog dat de felste strijders van de Vlaamse Zaak in zwart vaarwater terecht gekomen waren. Het grote succes van het Blok had het bijna gezuiverde imago van ex-collaborateurs helemaal om zeep geholpen. Nu dat verhaal stilaan afgelopen is wil de N-VA haar historische slag slaan om het Vlaamse discours te institutionaliseren op alle bestuursniveau’s. In dat proces neemt ze grote risico’s. De zaak-Ceder is tot nog toe de meest in het oog springende recuperatie-operatie en toont aan dat de ontluizingsprocedure toch niet zo waterdicht is. Zo’n figuren ben je als partij liever kwijt dan rijk. Het is ongetwijfeld een natte droom van De Wever om dat soort transformaties massaal te laten lukken. Voor zover hij nu nog niet tot de gallerij der allergrootste Vlamingen behoort kan hij bij positief resultaat helemaal een halfgod worden. Na de hubris dreigt echter de nemesis. Dit is een gevaarlijk spel. Alleen: met een Bergen-Belsen-verhaal haal je dit niet onderuit.

Het debat moet fundamenteler worden gevoerd. De N-VA is de facto, net zoals de Volksunie, een zweeppartij, maar nu wel met de ambitie om een catch-all-partij te worden. Ze wil met haar Vlaams sprookje – per slot van rekening haar eerste en belangrijkste opdracht – tot alle lagen van de bevolking doordringen. Gebruik makend van een eenvoudig verhaal, maar ook van anti-establishment-retoriek probeert ze in oktober greep te krijgen op de gemeentelijke beslissingscenakels. Maar wie wordt daar heen gezonden? Een snelle elitevorming kan niet op tegen gevestigde partijen die een jarenlange ervaring hebben in het managen van lokale besturen. Je kan Cessna-piloten niet aan de stuurknuppel van een A380 plaatsen. Dit betekent niet dat vernieuwing niet succesvol kan zijn – integendeel – maar neemt u de verantwoordelijkheid om burgemeester- en schepenambten in handen van inderhaast gevormde amalgamen te geven? Angst bestrijd je uiteraard niet met nieuwe angst, maar een weinig langdurige elitevorming is niet meteen een garantie op succes na de verkiezingen. De huidige bestuursploegen hebben in deze een grote verantwoordelijkheid en moeten door hun bilan kunnen aantonen dat er een alternatief voor het alternatief is. Main Street isn’t Wall Street.

Een andere kanttekening bij het sérieux van de N-VA als ingewortelde volkspartij is de persoonlijke ambitie van de voorzitter. Of hij het nu graag heeft of niet, hij is het boegbeeld van zijn partij. Niemand kan om De Wever heen. Zonder hem is het verhaal een stuk minder rooskleurig en aan zijn lot is dat van de partij gekoppeld. En toch: De Wever gaat voluit voor de Antwerpse burgemeestersjerp. Van zijn stad wil hij zijn Rijk maken. Hij zou dit combineren met het voorzitterschap van de partij, maar dat is niet geloofwaardig. Burgemeester van Antwerpen zijn is een meer dan fulltime job; Patrick Janssens nam ervoor ontslag als sp.a-voorzitter. Als het burgemeesterschap zijn ultieme persoonlijke ambitie is dan moet hij zich daar volledig op toeleggen. Vraag is uiteraard of er een alternatief is. Er is in Antwerpen blijkbaar niet aan voldoende elitevorming gedaan om het zonder het partijboegbeeld te moeten doen. Uiteraard valt het af te wachten of De Wever bij een grote overwinning een meerderheid zal vinden. Indien dat niet lukt heeft hij alsnog een extra anti-argument. En zo blijft de politieke mallemolen draaien. Maar toch: als hij met de N-VA écht als serieuze volks- en beleidspartij wil overkomen, dan bleef hij aan het hoofd van zijn partij staan. Een bekwame kapitein laat zijn aandacht niet afleiden, anders kapseist het schip. Vroeg of laat.

De partij moet weten wat ze wil. Een historische schuld vereffenen doe je niet tegelijk met het streven naar een fundamentele inplanting van een niet algemeen gedeeld gedachtegoed. Een elite vorm je niet van de ene dag op de ander. Een voorzitter die, positief gesteld, het bestieren van zijn eigen metropool als het hoogste goed ziet of, negatief, niet zal nalaten een overwinningsnederlaag voor partijpolitieke redenen te gebruiken, staat niet aan een hoofd van een partij die de nieuwe CVP wil worden. Het debat moet dus gaan over de finaliteit van een onvolwassen partij die gebonden is aan particulier Vlaams denken. Moet dit de leidende kracht zijn in een Europa dat in brand staat? Ik hoop van niet. Er is een beter alternatief.

At the end of the day moeten we vechten als volwassen mensen. Bart De Wever is in een straalstroom terechtgekomen waarvan hij niet kon weten waar het hem ging brengen. Als publiek persoon word je geleefd, geprezen en verguisd. Dat moet verschrikkelijk zijn en verdient alle respect. Maar daarvoor hoeven we zijn koopwaar niet en masse te kopen. Als we maar duidelijk zeggen waarom niet en hoe we het zelf beter zouden en zullen doen.

L’imagination au pouvoir

<!–IMG_1745–>Project Uplace heeft de voorbije maanden danig de gemoederen verhitst, met de toekenning van de milieuvergunning door minister Schauvliege als voorlopig culminatiepunt. Deze beslissing kan op zijn zachtst gezegd niet op een unanieme goedkeuring rekenen. De discussie loopt dwars door de partijgrenzen heen en de diverse belanghebbenden nemen stellingen in langs een de-één-zijn-dood-is-de-ander-zijn-brood-lijn. De sp.a-burgemeester van Machelen, waar het project gelegen zal zijn, kan niet méér pro zijn: in één klap drieduizend arbeidsplaatsen bij en een stevige jaarlijkse spaarpot voor de gemeente. Men is er de (tijdelijke) ravage van de sluiting van Renault-Vilvoorde nog niet vergeten. Zijn collega van Leuven leidt de dans van de tegenstanders: de Leuvense middenstand is, Tobback’s overdrijvingstalent indachtig, met zo’n initiatief de vernieling nabij. Hij wordt daarin bijgetreden door zijn Vilvoordse CD&V-collega. Ze halen het Sint-Niklase voorbeeld aan: een shoppingcentrum aan de rand van de stad jaagde alle klanten uit het centrum weg. Bovendien zou een extra belasting van de nu al dichtgeslibde ring het verkeer helemaal tot stilstand brengen. En dan vergeten we nog het fijn stof-argument. U ziet het: een pittige discussie verovert de dagbladen. De avonturen van de would be-chef-koks, de afgang van Iris, de boeren die een vrouw zoeken en andere horrorverhalen zoeken eventjes de achtergrond op. Goed zo.

Ondertussen kabbelt het dossier stilletjes verder. Er liggen nog voldoende addertjes onder het gras die het ganse project op de helling kunnen zetten. Bij een setback zal de initiatiefnemer wellicht met graagte opnieuw het barre ondernemersklimaat in dit land voor de camera’s in de verf zetten. De man ziet in de investering voor alles uiteraard een mooie winst; voor de besognes van de omwonenden zal hij vast zijn slaap niet laten. Maar toch: telkenmale men in dit land een groot infrastructuurproject probeert te lanceren steigert de goegemeente. Het lijkt onmogelijk geworden om als één blok achter een grote uitdaging te gaan staan. Dat men überhaupt bezwaarschriften kan indienen is een verdienste van onze democratie, maar deze vorm van burgerinspraak staat keer op keer een efficiënte aanleg van nieuwe infrastructuur in de weg. In Antwerpen moesten de werken aan een tramlijn worden gestaakt; een windmolenpark voor de kust moest eventjes on hold worden gezet door een dame die haar zicht op zee dreigde te verliezen. De voltooiing van de Antwerpse ring is een vaudeville van jewelste. Brug of tunnel, tunnel of brug: de Nederlander moet at the end of the day op de meeste efficiënte, milieuvriendelijke en esthetisch verantwoorde manier bij de Franschman raken. Eénmaal de beslissing is genomen gaan we er voor. Maar dat lijkt niet te lukken. Het MAS is zowat de uitzondering die de regel bevestigt.

wetstraattorensEnkele maanden geleden werd nog een ander project met bezwaarschriften overladen. De Franse architect en stedenbouwkundige Christian de Portzamparc werkte een masterplan uit om de Wetstraat met enkele tientallen bescheiden wolkenkrabbers te verrijken. De omgeving wordt dan wel geen Manhattan of Chicago, maar de integratie van wonen en werken mét een esthetisch verantwoorde skyline kunnen we alleen maar toejuichen. Het wérkt. Vorige week waren we in Frankfurt: de enige Europese stad met een skyline die naam waardig is door meer dan een dozijn wolkenkrabbers helemaal gerevitaliseerd. Geef Brussel wat Brussel toekomt: een eigen landmark. Het Atomium was een schot in de roos, maar het ding staat er al 54 jaar en is ondertussen enigszins gedateerd. Ga consequent voor een project. Zet alle neuzen in de goede richting en durf vernieuwen of esthetisch choqueren. Het kan een impuls zijn om andere innovatieve projecten te ontwikkelen. Jammer genoeg vrezen we dat ook hier middelmatigheid boven nukkig verzet en eeuwig geweeklaag zal worden verkozen.

IMG_1709Maar goed: we mogen geen appelen met citroenen vergelijken. Uplace is het masterplan van de Portzamparc niet. Het mag echter geen reden zijn om niets te doen en ambitieuze projecten zomaar te torpederen of uit te kleden tot er nog louter een skelet overblijft. Brussel, en bij uitbreiding het ganse land, verdient meer. Neem eens een kijkje in Frankfurt.