Charleroi City Safari

De esthetiek van het lelijke. Over Charleroi is al veel inkt gevloeid, maar hoe gaat het er echt aan toe? Enkele weken geleden trokken we op City Safari in de stad aan de Samber. De vlag dekt wel degelijk de lading. Clichés worden bevestigd en op sommige plekken is de toestand niet alleen ernstig, maar ook hopeloos. Toch is er in Charleroi ook plaats voor initiatief waarmee een nieuwe generatie terug leven in de stad wil pompen. Maar de erfenis van het verleden is verpletterend zwaar. Je hebt verdomd sterke schouders nodig om die last aan te kunnen.

Een uitgebreide fotoreportage kan je op mijn Engelstalige site, Eclectic Wall, bekijken.

Advertenties

Youngtimers

Op enkele notoire uitzonderingen na is het autosalon sinds medio jaren negentig tot een al bij al ontgoochelende daguitstap verworden. Ik ben immers opgegroeid in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Onze wegen waren toen gevuld met wagens waarvan de lijn en de motor nog niet werden verkracht door stringente veiligheidsnormen en dito emissiecriteria. Men gunde de autowereld, en bij uitbreiding de elegante goegemeente, pit en karakter. Geen bolle kopieën van elkaar, maar verschijningen waarvan je direct kon zeggen welk model het was. Dat kon zeer zeker lelijk tegenvallen, maar over het algemeen trokken de courante merken zich heel goed uit de slag. Als eerbetoon heb ik mijn eigen collectie integraal online gezet.

En toch waren de helden van weleer alsnog van de partij. In een pikdonker en stiefmoederlijk behandeld zijpaleis zagen we een beperkte maar leuke selectie Youngtimers. Het was een blij weerzien. Maar buiten wachtte terug de harde realiteit.

Fiat 500

IMG_9266

Opel Kadett

IMG_9267

Volkswagen Golf

IMG_9269

Volvo 340

IMG_9272

Hyundai Pony

IMG_9274

Renault 5

IMG_9277

Audi Quattro

IMG_9280

Rolls Royce Silver Spirit

IMG_9281

Citroën Visa

IMG_9283

Austin Mini

IMG_9285

Mercedes SL

IMG_9287

Porsche 959

IMG_9290

BMW 635 CSi

IMG_9291

Suzuki Swift

IMG_9297

Honda CRX

IMG_9298

Peugeot 309

IMG_9300

Jaguar XJS

IMG_9303

Mitsubishi Starion

IMG_9305

Lexus LS 400

IMG_9309

Nissan 300 ZX

IMG_9312

Mazda MX-5

IMG_9313

Ferrari 348

IMG_9315

Ford Escort

IMG_9317

Subaru SVX

IMG_9320

Lotus Esprit

IMG_9321

Dit moet één van de mooiste cadeaus zijn die ik ooit kreeg: een originele kaart van Expo ’58. Meer hierover kunt u op mijn Engelstalige site lezen.

Klik hier voor een grotere versie van de kaart.

DSC_7611

Uit het mentaal en fotografisch archief: de firefighters van 9/11 die op de Quatorze Juillet van 2002 met hun brandweerwagen over de Champs-Elysées snelden. Het was onze eerste keer op het défilé en die editie ging niet onopgemerkt voorbij. Nauwelijks een minuut voordat Jacques Chirac ons toezwaaide had een gek gepoogd om een aanslag op de president te plegen. Hij had zijn wapen in een gitaartas verstopt, maar kon net op tijd worden overmeesterd. Wij stonden ter hoogte van het Rond Point des Champs-Elysées en hoorden pas ’s avonds over het incident. Zo ging dat toen nog.

NYC911

Met dank aan David Proot.

Habitat 67

Dankzij een tweet van The Guardian Cities ben ik een raadsel armer. We moeten er voor naar Québec, want met Montreal’s ‘failed dream’ brengt het magazine Habitat 67, het utopische flatgebouw op een eilandje in de Saint-Laurent, nog eens onder de aandacht. Een vijftal jaar geleden liep ik er voorbij en nam foto’s van die wel heel vreemde constructie: kriskras op elkaar geplaatste betoncellen vormen er samen een appartementscomplex. Late sixties of vroege seventies, maar tegen mijn gewoonte in zocht ik niet naar het hoe en het waarom van het aparte artefact. Tot die bewuste tweet.

De stad en haar eigenzinnige provincie hebben me steeds in die mate gefascineerd dat ik er zelfs een thesis over heb geschreven. Pas jaren later (confer hier en hier) had ik de kans om er naar toe te reizen en het echte karakter van Montréal te voelen. En dat kwam heel erg bekend voor: dit is geen Parijs, maar een Brussel aan de overkant van de oceaan. Franstalig met een Engelstalige minderheid, een klein maar mooi historisch centrum, grijze gebouwen, ietwat gedateerde infrastructuur, analoge taalperikelen en af en toe wat surrealistisch. Er is uiteraard meer ademruimte – in Noord-Amerika is het exponentieel ruimer dan aan de oevers van de Zenne – maar ook de naoorlogse ontwikkeling van Montréal is relatief gelijklopend aan die van Brussel. De wereldtentoonstelling van 1967 (en later ook de Olympische Spelen van 1976) hadden er dezelfde legendarische dynamiek als Expo ’58. De stad stapte eindelijk de moderniteit binnen. Zo werd in die tijd het metronet aangelegd, met oranje treinstellen en plastieken stations die er uitzien als Kunst-Wet of het oude Rogier. Habitat 67 paste in dat plaatje en zou je naadloos op de Heizelvlakte kunnen neerplanten. Bovendien fungeerde het tijdens de wereldtentoonstelling effectief als paviljoen dat de architecturale imagination au pouvoir representeerde. Gelukkig werd Habitat 67, samen met het Amerikaans paviljoen, na het einde van de festiviteiten niet afgebroken, in tegenstelling tot alle andere expositiehangars. Het toonbeeld van modern wonen werd het effectieve huis van tientallen gezinnen.

De Canadees-Israëlische architect Moshe Safdie kreeg carte blanche en richtte de schijnwerpers op het zogenaamde metabolisme: wonen als organisch gegroeide en onderling verbonden blokken. Geef wonen terug aan de natuur, gebruik tuinen als gangen en leef in harmonie met de huiscompartimenten om je heen. Vermijd lege corridors en donkere traphallen. Op die manier kan je de naar de suburbs vluchtende middenklasse in de stad houden. Het mocht niet zijn. Hoe hard het aan zelfvertrouwen winnende Montréal het architecturale metabolisme ook promootte, de wereld nam Habitat 67 niet en masse ter harte. Het blokkenspel is duur en beton kwetsbaar. Eenmaal de seventies er aan kwamen verdween het vooruitgangsoptimisme waarin originele maar dure hersenkronkels kansen kregen.

Zo is Habitat 67 vandaag een curiosum geworden die architectuurliefhebbers naar de Canadese metropool lokt. Toch blijft de boodschap van Safdie actueel. We moeten in West-Europa kleiner gaan wonen. In plaats van gelimiteerde chaos en veelvormigheid kan metabolisme als geordende vrijheid meer levenskwaliteit in de stad brengen. Een samenleving die bang is van verbeelding riskeert voor altijd ter plaatse te blijven trappelen. Neem deze courage montérégienne als voorbeeld.

Sinds kort is er een rechtstreekse vlucht tussen Brussel en Montréal. Neem die misschien eens, beste beleidsmakers.

Het uur van de Muur

Soms wou ik dat ik al een decennium ouder was. Was ik in 1969 geboren, dan had ik de Wende ter plekke kunnen meemaken. Intussen heb ik mijn schade ietwat proberen in te halen: we waren op Times Square toen Barack Obama voor het eerst als president werd verkozen en stonden op Maydan toen het inferno op de stadspoorten van Kiev beukte. Maar het blijft een pleister op een houten been. Ik zou die onvergetelijke momenten alsnog willen inruilen voor enkele dagen rond de Muur in november 1989. Cees Nooteboom, die was oud genoeg. Hij had het geluk erbij te zijn en, god bless humanity, te kunnen schrijven. Een vijftal jaar geleden compileerde hij zijn notities (Berlijn, 1989-2009) en ging zo op zoek naar de complexe aard van onze, ondanks alles, ongelooflijk fascinerende oosterburen. Zijn arendsogen schepten verwachtingen. Met tussenpozen vulde hij zijn waarnemingen tot 2009 aan en zag de stad ingrijpend veranderen.

De taalvirtuoos heeft zijn eigen stijl. Woordgegoochel zit in zijn artistiek DNA, maar de ellenlange zigzaggende zinnen zijn niet meteen my cup of tea. Het voert af en toe Louis Neefs ten tonele: geen mens die nog weet hoe het einde begon. Gelukkig vervalt zijn semantische spielerei en de ongebreidelde namedropping niet in pedant gepoch over het eigen intellect. Je kan Duitsland niet typeren zonder Goethe, Luther of Kant aan te halen. Ook de mindere helden speelden hun gebeurlijke rol. En daar heeft Nooteboom gelukkig ogen en oren naar. Naast die Grote Meesters zoomt hij meer dan eens in op de (pseudo-)avant-gardisten die in 1989 en 1990 de grote gebeurtenissen van zich afschreven of afacteerden. Zo getuigt hij over de zwevende student die in zijn kamer privé-voorstellingen van klassieke stukken opvoerde. Dat kon enkel gebeuren in een revolutionaire roes. Kon je tijdens een ontlading van dat kaliber überhaupt nog ratio aan de dag leggen? Naar dat soort momenten was ik bij Nooteboom op zoek, maar telkens de evocatie van die dagen je in de trance van 1989 brengt, temporiseert hij met bijwijlen oneindige misantropische frasen. Je kan als lezer uiteraard niet zonder duiding, maar die is zo overdadig badinerend dat de spanning van de Wende keer na keer terug moet worden opgebouwd, waarna ze vervolgens weer abrupt stopt. Wie een historische hallucinatie zoekt is bij Nooteboom aan het verkeerde adres.

De gebeurtenissen lieten zich uiteraard ook in andere delen van het toen nog verdeelde land voelen. Nooteboom kon het niet vatten dat hij nu zonder problemen dagenlang door de slapende dorpen van de DDR kon rijden. Wat tot enkele ogenblikken voordien nog een illusie leek was plots werkelijkheid geworden. Zo nam hij polshoogte in het enig mooie Rügen, het grootste eiland van de huidige Bondsrepubliek. Jammer genoeg spit hij dat Rügen uit de DDR niet dieper uit. Het was dé plek waar tienduizenden families hun zomer doorbrachten, laverend tussen het mondaine Binz en de ruïnes van de Prora, het gigantische zomerverblijf voor de ‘arbeiders’ van de Nazi’s. Dààr werd de DDR geleefd. Ook Lübeck – in het Westen – onderging bij Nooteboom hetzelfde lot. Hij stopt er eventjes, maar de koningin van de Hanze, die onder meer tijdens de luchtbrug een belangrijke rol speelde, blijft enigszins verweesd achter. Het zijn twee plaatsen die we op onze road trips zelf heel erg gewaardeerd hebben om hun natuur en historisch belang, maar in vierhonderd pagina’s moet je keuzes maken. De trage delen moeten niet met nog meer kabbelende alinea’s worden aangevuld. Het In Memoriam van een staat mag niet vervelen.

Exit DDR dus. Maar hield de verdeling van het land na die derde oktober van 1990 op? In de nineties en de noughties observeerde Nooteboom een kwetsbare evolutie. Hij kan niet om het wederzijdse wantrouwen tussen ossies en wessies heen. Kohl legde al zijn politiek gewicht in de schaal om het land zo snel mogelijk te herenigen, maar volgden Hans, Uwe, Jutta en Beate wel? De scepsis was enorm. Die Ossies zouden met hun Trabis het hard werkende West-Duitsland overspoelen en op die manier de zo minutieus opgebouwde welvaartstaat terroriseren. Of omgekeerd: wat hadden wij, fiere inwoners van de Boeren- en Arbeidersstaat, gemeen met die pretentieuze Mercedesrijders van aan de overkant? München, Stuttgart en Hamburg waren oorden van kapitalistisch verderf voor zij die van de bescheiden knusheid van Leipzig, Dresden en Karl-Marx-Stadt hielden. Ook onder het regime met al haar Stasi’s, SED’s, ZK’s of Warschaupacten kon het leven gezellig zijn. Er kwamen ten minste boterhammen op de plank. Ze waren dan wel uniform gebakken, maar wie heeft nood aan honderd soorten brood terwijl je maar één mond hebt? Bovendien bracht de maandenlange onzekerheid over de waardeverhouding Oostmark-Westmark bij een uiteindelijke hereniging beide Duitslanden allerminst dichter bij elkaar. Vervreemd. Vijfentwintig jaar later stroomt er nog steeds geld van Beieren naar Mecklenburg-Vorpommern of Sachsen-Anhalt. Eén en één is nog altijd minder dan twee. Achter de façade van de economische reus gaat het dubbele helingsproces nog steeds verder: het gelukkig stilaan afgeworpen collectief schuldgevoel en het herenigen van datgene dat het IJzeren Gordijn en de Muur zo enorm hebben uiteengetrokken. Nooteboom slaagt er tussen alle taalspelletjes en uitweidingen door in om de lezer ervan te overtuigen dat niets voor altijd verworven is: het gaat niet om zijn, maar om worden. Ondanks de romantiek van die negende november moet er elke dag aan dat nieuwe Duitsland worden getimmerd.

Dat doet men ook in Berlijn. De stad is de incarnatie van het perpetuum mobile. Steeds in beweging. Bij elk bezoek duiken nieuwe torens op, worden tunnels gegraven en renoveert men oude DDR-blokken. Nooteboom, bij wie de jaren ook vorderen, heeft er soms zijn bedenkingen bij, maar het valt niet tegen te houden. Zo zal op de plaats van het Palast der Republik (1976-2008) binnenkort een replica van het Stadtschloss van de Hohenzollerns oprijzen. Een ver verleden terug in de stad plaatsen. De stad gaat alle richtingen uit, maar blijft de auteur beklijven.

Het verhaal is gelardeerd met schitterende foto’s van Simone Sassen. Nooteboom weet, ondanks de langdradige verwoordingen, steeds de juiste snaar bij de foto aan te raken. Een aantal curiosa, zoals de gevaarsborden aan de Muur die in het Duits én het Turks zijn opgeteld, doet aficionados watertanden. Het is een erudiet totaalwerk, maar ik bleef op mijn honger zitten: je mocht er verdorie bij zijn, tijdens die beruchte november. Geef me nog iets méér van die sfeer.

Cees Nooteboom, Berlijn 1989-2009

Einde van het exceptionalisme

Ontmoet geen helden. Het kan je leven verwoesten. Een mislukte confrontatie met je imaginaire droombeeld zorgt voor niets dan kommer en kwel: waar heb je al die tijd in hemelsnaam naar opgekeken? De gedachte om zoveel vitale tijd in een onmetelijke leegte te hebben geïnvesteerd moet ondraaglijk zijn. Het is overigens maar de vraag of zelfs de mildere vorm van idolatrie, met name fascinatie, uiteindelijk ook niet wordt afgestraft. Moedige krijgers, zoals Geert Mak, wagen het er op. Hij toerde de Verenigde Staten rond in de voetsporen van John Steinbeck, één van zijn literaire helden. Baat het niet dan schaadt het niet: blijkt Steinbeck’s Travels with Charley meer gefingeerd dan zelfs de grootste fan wil toegeven, dan nog zal de tocht een stand van het land anno 2010 genereren. Niet getreurd dus: de mogelijke ontgoocheling is in het slechtste geval een flinke leidraad om het boek te schrijven waarvan elke Amerikafan auteur zou willen zijn. Eigenlijk is het land op zich voor Mak nog een veel grotere muze dan haar literaire discipel.

Voordat je Reizen zonder John aanpakt kan je best eerst Travels, half zo dik, doornemen. John Steinbeck, gevierd auteur en twee jaar na het schrijven van het boek laureaat van de nobelprijs literatuur, vatte in 1960 het plan op om nog één keer een grand tour van zijn land te maken. Hij was op dat moment 58 en voelde zijn krachten afnemen – nauwelijks acht jaar later stierf hij. Het was gelukkig niet te laat om te onderzoeken of er nog iets van het opgewekte en energieke Amerika uit zijn jeugd overbleef. De fifties liepen nu op hun laatste benen. Ging het ongebreidelde naoorlogse optimisme en vooruitgangsdenken zich doorzetten of zat er sleet op de droom? Steinbeck gaf zichzelf, zijn truck Rocinante (naar het paard van Don Quichotte) en zijn hond annex metgezel Charley een tweetal maanden voor de opdracht.

Geert Mak, die zelf in de fifties groot werd, pikt er meteen op in en schetst erudiet de context. Zelfs in de emancipatorische Levittowns werd het leven van de bredere middenklasse toen razendsnel aangenamer: er was werk, er waren consumptieproducten, er was tv en des zondags de dag des Heren. Maar er dreigde ook onheil: de Sovjets met de Bom, de inquisitie van McCarthy en de eigen demon der zelfgenoegzaamheid. Miljoenen tweede- en derderangsburgers hingen desperaat aan de onderkant van de sociale ladder; racisme was meer dan geïnstitutionaliseerd. Rosa Parks was nog maar net blijven zitten. Steinbeck laveerde bovendien middenin de bittere strijd om het Witte Huis, waarin Nixon en Kennedy de limieten van een democratie wel heel ruim interpreteerden. De toon was gezet; een succesvolle sequel van de fifties werd plots een stuk minder evident.

De tocht van kwam traag op gang. Steinbeck was depressief en raakte vaak niet verder dan oppervlakkige gesprekken met mannen in diners, families op campings en winkelbediendes in smalltown America. De kleine man. Mensen met hun gebeurlijke problemen die, zij het niet steeds zonder problemen, de eindjes aan elkaar knoopten, al dan niet op krediet. Brood en spelen, go with the flow en de beeldbuis als steeds weerkerende gezel. Maar, zoals James Dean zich terecht afvroeg, who lives? Wat heb je nog van identiteit en opinie in het geoliede en strak geregisseerde maatschappelijke raderwerk? Misschien had men de tijd niet om er over na te denken. Mak leest vijftig jaar later in diezelfde diners, campings en hotels in het noordoosten opnieuw niets dan gelatenheid van de recht voor zich uit starende gezichten af. Iedereen voelt zich, elk op zijn eigen manier, in de steek gelaten. In de eerste plaats door de overheid, uiteraard, maar in tegenstelling tot 1960 is men er nu niet meer van overtuigd dat het snel beter zal worden. Het fatalisme druipt van Mak’s getuigenissen. Weg vooruitgangsoptimisme. Ver weg.

Het relaas was al bijna halverwege toen Steinbeck in Detroit arriveerde, nauwelijks een vijfde van de afstand achter de rug. Motor City was anno 1960 misschien al wat over haar hoogtepunt heen, maar het verval verbleekte bij de impasse waarin de stad vandaag terecht is gekomen. De bevolking halveerde de voorbije vijftig jaar; de crisis van 2008 bracht de genadeslag voor wie op de limiet leefde. Hele wijken zijn verlaten, huizen worden geplunderd, er wordt ernstig gemoord. De auto-industrie is intussen gedelokaliseerd. Want ook dat is Amerika: mobiliteit is een way of life. Waar werk is komt men van heinde en verre naartoe; verdwijnt het werk, dan trekt men als nomaden spontaan naar een ander centrum van activiteit. Langs het netwerk van Interstates, die in 1960 nog in volle opbouw waren, vonden constant volksverhuizingen plaats. Het is er nog steeds de evidentie zelve dat je niet per definitie woont waar je geboren of opgegroeid bent. Zodoende is Detroit nu bijna een ghost town geworden. Mak zou het slechte nieuws wellicht niet aan Steinbeck willen brengen.

Om het land te doorgronden blijft het voor een Europeaan moeilijk om de Europese bril af te zetten. Het zijn twee andere continenten. Geert Mak doet zijn uiterste best om zich in de mindset van Amerikanen in te leven, maar van sommige particulariteiten blijven zijn haren ten berge rijzen. Ze riskeren op middellange termijn de positie van het land te ondermijnen. Het vrijheidsideaal en de daarmee verbonden fundamentele aversie van overheidsinmenging zorgen voor een haast ridicule en helemaal te voorkomen obstructie van het maatschappelijke en economische leven. Zo is de lamentabele toestand van het Californische wegennet exemplarisch: de wegen zijn hopeloos krakkemikkig, maar elke politicus die de belastingen maar een fractie wil verhogen om de koe bij de horens te vatten tekent genadeloos zijn politiek doodvonnis. Of het grotendeels verwoeste New Orleans, dat ook na Katrina in de kou bleef staan; de overheid was er onvergeeflijk in gebreke gebleven. Daar klaagt men ook in Louisiana steen en been over, maar met een habbekrats aan geld en mentaal geautoriseerde autonomie kan zelfs de sterkste staat geen wonderen verrichten. De samenleving van de eenentwintigste eeuw is exponentieel complexer dan die van de eerste settlers, de tijd van de gold rush of zelfs de golden fifties. Dit obstinate verzet tegen collectieve inspanning moet zich ooit wreken. Maar het heeft tegelijk een magnetische kracht. Voor migranten en gelukszoekers, zo oppert Mak, is het soms een fundamentele keuze: gaan we voor het veilige Europa waar we met wat geluk van een temperende verzorgingsstaat kunnen genieten of willen we Amerikaan worden? Je neemt er grotere risico’s, maar kan er tegelijk écht veel geld verdienen.

Ook dat tweede ideaal, het Amerikaanse exceptionalisme, lijkt hopeloos gedateerd. De toch wat bescheiden (of timide?) Europeanen kunnen zich er zelfs niets bij beginnen voor te stellen: het idee dat je een uitzonderlijk volk bent, chosen by God, en dat ook, met vlagen, de hele wereld daarvan overtuigd moet worden. Ons eigen pedant paternalisme van voor de dekolonisatie verbleekt er bij. Betweterig, maar anderzijds ook de drijvende kracht achter veel dynamisme en ondernemingszin. Werken en niet bij de pakken blijven zitten, met een haast messiaanse opdracht om de eigen uitzonderlijke gaven uit te dragen. Met veel miserie in andere continenten tot gevolg, want wat de kennis van de externe doelgroep betreft valt er toch nog één en ander te leren.

Maar je kan in de Verenigde Staten bij een groot deel van zowel rechts als links niet aan deze maximes twijfelen. Dat ondervond Steinbeck bij een bezoek aan zijn zussen in Salinas, California, waar hij opgroeide. De schrijver was intussen een echte liberal van de oostkust geworden – zelfs een communist, het grootst denkbare scheldwoord tijdens de Koude Oorlog – en bij elke politieke discussie laaiden de gemoederen hoog op. Het werd een dovemansgesprek; de verdachte democraat kon bij zijn conservatieve en patriottische bloedverwanten op geen enkel moment op begrip rekenen. Het blijft hoe dan ook de vraag of het exceptionalisme en het overheidswantrouwen de uitdagingen van deze nieuwe eeuw nog aan kunnen. Mak’s ervaringen, van Maine tot Minnesota en van Oregon tot Texas, zijn vaak ronduit deprimerend. Zijn pessimisme is voor elke Amerikanofiel – we pleiten schuldig – hartverscheurend. Maar je kan niet aan de realiteit ontsnappen. Daar veranderen zelfs strenge Europese ogen niets aan.

Geert Mak zat Steinbeck tijdens de vijftigste verjaardag van Travels op de voet, maar hij was lang niet de enige. Een aantal Steinbeck-experts reden met dezelfde plannen rond. De ene al wat maniakaler dan de andere, maar hun vaststellingen wezen telkens in dezelfde richting: de auteur nam in zijn werk af en toe een loopje met de realiteit. Dit was niet louter proza. Er werd op verschillende plaatsen aan de chronologie gesleuteld; sommige passages kunnen bovendien moeilijk kloppen. Het irriteerde Mak meer dan eens, maar wat deed het er uiteindelijk toe? De held is dan toch een held gebleven. De klassieker van Steinbeck is de ideale kapstok om de Verenigde Staten van een stevige portie context te voorzien. Geert Mak is een fenomenale verteller die na elke leerzame uitweiding naar de essentie terugkeert. Tijdens de duizenden mijlen Interstates raak je de weg nooit kwijt. Integendeel, je zou ze met deze gids liefst zo snel mogelijk zelf helemaal afrijden.

John Steinbeck, Travels with Charley
Geert Mak, Reizen zonder John

De modelstaat die er nooit geweest is

Niet elke historicus/a neemt counterfactual history ernstig. Tegenfeitelijke geschiedschrijving pleegt verraad aan de gekoesterde werkethos. Het principe is tegelijk simpel en ongelooflijk ingewikkeld: je verandert één klein aspect aan een historisch feit en schetst het vervolgverhaal, logisch verder redenerend op basis van reële bronnen en onderzoek. Op het moment dat gefundeerde waarschijnlijkheid in speculatie overloopt hou je er mee op. Als resultaat bekom je een verhaal van een plausibel alternatief verloop, ceteris paribus. Zowaar wetenschappelijk verantwoord watalsen, de counterfactual der counterfactuals indachtig: had de wereld er anders uit gezien als Hitler in de eerste wereldoorlog was gesneuveld? Misschien, maar misschien ook niet. Of zoals in Het land dat nooit was (Een tegenfeitelijke geschiedenis van België) zo mooi is uitgewerkt: zou de Congolese bevolking meer dan een eeuw geleden een even grote tragedie hebben beleefd indien Leopold II de kolonie was ontlopen? Meer dan waarschijnlijk, want in een imperialistisch Europa zat iedereen te azen op de Centraal-Afrikaanse grondstoffen. Aan het werk dus.

De counterfactual history bekijkt een en ander vanuit een nieuw perspectief: in plaats van het steeds over die wrede Leopold II te hebben onttrek je de gebeurtenis aan de historisch gegroeide en steeds bevestigde aversie tegenover één figuur. Je plaatst alles terug binnen structuur en context. Veel hoef je niet te doen: had één bewuste raadgever een ander advies gegeven, dan was de vorst misschien wel als gefrustreerde Coburger weggekwijnd, mijmerend over wat hij met al die macht en inkomsten had kunnen doen. Dat is de voornaamste verdienste van het project: het geeft onderzoekers suggesties voor andere, verrijkende invalshoeken. Niets meer, maar ook niets minder.

In een capita selecta worden tien specifieke gebeurtenissen in de Belgische politieke, economische en sociale geschiedenis minimaal getweaked. De wetenschappers doen dat heel systematisch en blijven trouw aan hun metier en expertise: na de tegenfeitelijke narrative (het verhaal van het alternatieve verloop) komt telkens de analyse. Daarin leggen ze secuur bij elke stap de gevolgde redenering en de bestaande bronnen bloot. Ze zeggen ook waar de gedachteoefening moet stoppen: tot hier en niet verder, want alles wat nadien mogelijks gebeurde is niet meer wetenschappelijk te onderbouwen. Meteen ook de achillespees van het experiment: waar leg je die kritieke grens? In sommige episodes, zoals die over de gevolgen van een vervroegde introductie van het algemeen enkelvoudig stemrecht en het stuk over de Koningskwestie die een republiek baarde, gaat men toch wel bijzonder ver. De auteurs geven dat ook wel aan, maar soms is de verleiding groot om via mooie woordspelingen de geschiedenis een tikkeltje te herschrijven.

Dat mag nu net niet de bedoeling zijn. Want het is soms verdomd moeilijk om de tegenfeitelijke scenario’s niet beter te vinden dan het werkelijke verloop van de geschiedenis. Meer nog: soms spiegelen de auteurs ons een realistisch beeld van modelstaat België voor. Zo zijn de hoofdstukken over ruimtelijke ordening en waterbeheer om van te smullen; de unitaire republiek zonder communautaire hoogspanning is precies een sprookje. En een koloniaal maagdelijk België dat internationaal met propere handjes machtsgeile dictators op de vingers kan tikken: voorwaar!

Zo is het allemaal niet gelopen. Kommer en kwel waren steeds ons deel, maar dat mag niet beletten om de denkoefening te maken. Het genre flirt voor pedante historici – soyons sérieux, soortgenoten, zijn we dat niet allemaal een heel klein beetje? – met spielerei, maar verdient wel degelijk een plaats in het Grote Bedrijf. Het is geen ronduit idiote fictie binnen historische krijtlijnen, maar stimuleert precies de creativiteit. Als het kan helpen om evidenties in vraag te stellen, dan kunnen we het moeilijk negeren. Het land dat nooit was hoort dus thuis op uw boekenplank. Maar nu trek ik me toch eventjes terug met een verhaal dat effectief gewesen ist.

Kitsch voor kijkbuiskinderen

IMG_2673

Retro is een evergreen en maar goed ook. We willen die goeie ouwe tijd nog eens herbeleven, al was het maar voor eventjes. En dan vooral onze kindertijd. Geen enkel medium dat een betere flashback geeft dan de televisie. De kwaliteit van de beelden, de mode, het taalgebruik en de manier waarop men met een camera omging: alles is veranderd. Lang leve de tv speelt perfect in op deze gevoeligheid van alle kijkbuiskinderen uit de voorbije halve eeuw. Oude decors van onder het stof halen zijn een goudmijn voor een slimme ondernemer.

Dat mag wat kosten. Zeker voor de bezoeker: veertien euro om een uurtje te wandelen tussen originele objecten en gereconstrueerde studio’s. Wat authentiek is en wat nagebouwd hebben we niet gedetailleerd kunnen traceren, maar de kast van Samson was niet de kast die op de tv-beelden werd getoond. Laat staan de deur waarvan de bel het niet deed. Dat Jomme Dockx ooit aan één van de twee kantoortafels van de aanwezige set van De Collega’s zat is hoogst twijfelachtig. Het gaat natuurlijk over de herinnering en het feelgood-gehalte, maar als je écht die tijd wil herbeleven is er meer nodig. Als de telefoon van Joske Vermeulen en de jas van de Man van Melle originele exemplaren waren, net als de kist van Laatste groet, een hypermodern aanraakscherm brengt mij niet terug in de sfeer van de IQ-quiz. De kinderen kunnen het nu wel zelf spelen, jazeker, maar ik had graag het échte letterbord van Herman Van Molle gezien. Lang leve de tv is dus a little piece of bubblegum, zonder meer.

IMG_2708IMG_2730IMG_0012

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑