Swastika Laundry

WTF is this shit? Alzo sprak een verontwaardigde Facebookburger toen hij op de Historical Pics-pagina een foto van een doodgewone van met Swastika zag passeren. Niet zomaar een Duitse bestelwagen uit eind jaren dertig, maar een bloedrood exemplaar uit Dublin as late as the sixties. In het post-Wereldoorlog II-tijdperk was het aan deze kant van de Noordzee (en bij uitbreiding de Ierse Zee) ondenkbaar dat het symbool van het nazisme nog openlijk gebezigd werd. In eender welke context. Laat staan dat een bedrijf onder die naam door het leven zou gaan.

Maar goed, John W. Brittain was de Nazi’s voor. Acht jaar voor de oprichting van de NSDAP stichtte hij een wasserijnetwerk in de Ierse hoofdstad. Hij doopte zijn recentste bedrijf naar een, naar verluidt, oosters gelukssymbool dat rond de nek van een beeldje van een kat hing. Niets mis mee, maar dat veranderde toen het in Duitsland ernstig fout begon te lopen. De rest van het verhaal kunt u hier lezen. Het was toch even schrikken.

Foto: http://www.flickr.com/photos/bakerportfolio/193597110/

Advertenties

Annuaire Statistique

Het was verdomd afmattend. Sociale statistiek beschouwden we terecht als de spreekwoordelijke molensteen om de hals voor iedereen die de eerste kandidatuur politieke en sociale wetenschappen wou overleven. Keer op keer berekenen hoeveel kans je hebt om dobbelsteensgewijs twee jassen naast elkaar te hangen aan een kapstok met zes haken bracht ons geen centimeter dichter bij het paradijs. Integendeel: het was een ware marteling. En ja, het heeft meer dan één poging gekost, maar ik was best tevreden met die dertien. Fier dat het ultieme gevecht met de cijfers at the end of the day werd gewonnen. Arrividerci.

En toch: statistieken zijn leuk als je geen statistiek hoeft toe te passen. Als je de realiteit in cijfers giet bekijk je de zaken helemaal anders. Een lijst met inwoneraantallen van gemeenten doet je de verhouding van onderlinge grootte helemaal anders evalueren dan een kaart met identieke, abstracte bolletjes. Het Rijksarchief heeft ons nu extra lekkers gegeven door het Statistisch Jaarboek voor België en Belgisch-Kongo (en de uitsluitend Franstalige voorganger Annuaire Statistique de la Belgique et du Congo belge) in te scannen en online te plaatsen. Wat nu botweg Statistics Belgium heet en nog enkel online beschikbaar is had toen een heerlijke papieren uitgave. Ze hebben hun huiswerk goed gemaakt: alle statistische jaarboeken van 1870 tot 1995 staan integraal op de website van ons dierbaar Rijksarchief. Bij het consulteren kan je het ding meteen ook downloaden.

De maatschappij (en de job van telambtenaar) is wel degelijk veranderd. Zo hield men in de editie van 1908 – via extrapolatie? – bij welke talen men thuis sprak of placht te spreken. Per arrondissement zien we (p.82) de huishoudens waar enkel Frans of enkel Nederlands werd gesproken. Of waar men het Nederlands én het Frans machtig was. Of enkel het Nederlands en het Duits. En alle andere mogelijke combinaties. De strafsten onder hen werden in de categorie Habitants parlant les trois langues gezet. Duits was immers ook al voor de eerste wereldoorlog een officiële taal. De registratie zou nu wellicht een ander beeld geven, maar officiële instanties bedanken voor de eer: een talentelling kan in de fantasiewereld van fundis wel eens aanleiding geven tot een bloedige burgeroorlog. Anno 1908 werden de cijfers wel gepubliceerd.

Diezelfde editie leert ons nog dat de ene persoon meer stemmen kon uitbrengen dan de andere. In de rubriek Electeurs pour les Chambres Législatives, d’après les listes zien we hoeveel mensen één, twee of drie bolletjes rood mochten kleuren. Het algemeen meervoudig kiesrecht wordt nu als een onrechtvaardig privilege aanzien, maar toen was het niet meer dan een administratieve evidentie. So what? Enkele pagina’s verder worden de cijfers zelfs uitgesplitst op basis van de reden waarom men een extra stem verdient: scholingsgraad, fortuin etc. Je kan er dus heel wat informatie over de samenleving mee reconstrueren. Al laten we de finesses en de manipulatie van cijfers uiteraard graag aan anderen over.

Tweeten uit het hiernamaals

Niet alle celebrities op Twitter hoeven van vlees en bloed te zijn. Social media is larger than life, want ook aflijvigen maken gretig gebruik van de 140 karakters om hun fans en vijanden te blijven entertainen. Echte helden sterven nooit; hun surrogaatspreekbuizen bewapenen zich best met een gezonde dosis ironie. Dat kan best leuk zijn.

Carpenter, Healer, God: @jesus kon geen betere omschrijving van zichzelf geven. Meer uitleg volgt op zijn persoonlijke homepage – de Engelstalige Wikipedia, lemma Jesus – maar dat zegt uiteraard niet zoveel als de woorden die tweeduizend jaar na zijn fysieke dood de wereld worden ingestuurd. Niets menselijks is hem vreemd: hij is jaloers op Oprah Winfrey (Lance, you could have come to me first!) en heeft adoratie voor Barack Obama (Four more years). Met zijn 534.000 volgers is hij bovendien populairder dan zijn vader, @god, die het met net geen 100.000 moet stellen. God is wél streng en durft zijn aardse vertegenwoordiger er zelfs van langs geven: The #pope did NOT resign, I fired his ass!, zo fulmineerde hij op 11 februari.

Ik heb het echter meer voor zijn alter ego, @TheTweetOfGod. Die is spraakzamer en met 442.000 followers maar net iets minder geliefd dan Jezus, edoch even streng: His Holiness Pope Benedict XVI, you are a pussy, was zijn reactie op de onverwachte démarche van die andere Heilige Vader. Toch kreeg ook God kritiek voor dat oordeel: @TheTweetOfGod Unfollowed. The Pope’s decision to step down matters, and will provoke a broad array of responses. It is no laughing matter, liet een man weten. Vrijheid van meningsuiting, het is iets waar de Heer mee leert omgaan. Door het te retweeten.

Alle gekheid op een stokje. Doden en goden zijn ook maar mensen. Ze zijn eveneens geïnteresseerd hoe het met hun oude rivalen gaat. Zo blijkt @General_2Gaulle door @MitterrandFr gevolgd te worden. Toch wat macaber, niet?

Schilderen zonder verf

Door het Fyra-debacle zouden we bijna vergeten dat hogesnelheidstreinen ons alsnog van de ene plek naar de andere kunnen brengen. De Franse TGV en Duitse ICE doen het wel als de temperatuur het vriespunt nadert of sneeuw ons land bedekt. Meer nog: ze laten ons toe aan volksverheffing te doen. Enkele maanden geleden genoten we nog met volle teugen van de fantastische Hopper-tentoonstelling in het Grand Palais. Je kan echter ook naar de oosterbuur: met de ICE spoor je vanuit Brussel-Zuid bijna letterlijk tot in het Keulense Museum Ludwig. Dat werpt zich de laatste jaren meer en meer op als het culturele hart van de Stad aan de Stroom en omstreken. En terecht, want met de combo Art Spiegelman en David Hockney sloegen we twee vliegen in één klap: twee tentoonstellingen van grootmeesters in hun genre.

maus made by iPadArt Spiegelman’s magnum opus Maus, een graphic novel waar hij dertien jaar aan werkte, schetst het traumatische verhaal van zijn familie die door de horror van de Holocaust nooit meer normaal heeft kunnen functioneren. De auteur probeert met vallen en opstaan de onuitgesproken pijn en frustraties uit de mond van zijn vader te horen. Echte vrienden zijn ze nooit geweest, neen, en de communicatie verliep stroef, maar met een ongeëvenaarde zin voor detail laat Spiegelman via zijn vader’s getuigenis zien hoe absoluut het inferno van de nazi’s is geweest. Deel één is onwezenlijk, het tweede volume het kwadraat van het kwaad dat eraan voorafgaat. De Joden als anonieme muizen en de nazi’s als agressieve varkens: een betere visualisering van de ongelijke strijd is moeilijk denkbaar. De Amerikaan kreeg er terecht de Pulitzerprijs voor.

Het verhaal kennen we, dus hield deze retrospectieve voornamelijk rekening met de praktische genese en de betekenis van het werk. Door de evolutie van de tekeningen en de manier waarop ze in een stevig verhaal werden geïntegreerd haalde Spiegelman het beeldverhaal in zijn eentje uit een intellectueel isolement. Beweren dat je een harde waarheid louter via literaire weg kan brengen gaat niet meer op. Daarvoor is Maus te sterk.

hockney2We kregen nog een tweede grootmeester voorgeschoteld. David Hockney’s landschappen en bomen waren een ontdekking. De Brit, een vroege pop art-coryfee, versierde Museum Ludwig met stillevens van zijn geliefde Yorkshire. De pure natuur in méér kleuren dan groen, bruin en grijs afbeelden met behoud van een fotografisch karakter maakte indruk. En zie: we kwamen Hockney al eerder tegen. Deze veelkleurige 850 CSi uit het BMW-museum in München was zowaar door de Brit onder handen genomen. Maar Hockney gaat nog verder. DSC_9587Op zijn vijfenzeventigste probeert hij nieuwe technologie te verzoenen met schilderkunst. Vandaag begeeft Hockney zich in de onzekere wereld van de apps. Met Brushes realiseerde hij op zijn iPad onder meer een schitterend beeld van Yosemite Valley in Californië. Het feit dat dit pas duidelijk werd na het lezen van de bijsluiter deed ons de wenkbrauwen fronsen: voorzag Steve Jobs dat schilders het zonder verf gingen doen? Of sterker nog – test Brushes maar eens uit, zoals we met deze afbeelding van Maus deden -, wordt schilderen in de eenentwintigste eeuw gereduceerd tot tekenen? Wij zagen niet onmiddellijk het verschil. Stof tot nadenken.

De Grote Post

<!–IMG_0013–>En toen keerde het licht terug. De jarenlange avondlijke duisternis van de Henri Serruyslaan behoort voorgoed tot het verleden. Meer nog: Oostende is zo lief geweest om de grote post niet door gewetenloze projectontwikkelaars te laten verminken. De Koningin der Badsteden – Stad aan Zee, horresco referens – werd de voorbije halve eeuw al meer dan genoeg verkracht door dat soort schobbejakken. Het tij is nog niet helemaal gekeerd, maar de Stad engageert zich alvast om een iets gezonder evenwicht tussen conservatie en exploitatie te vinden. De Stad met hoofdletter, inderdaad (eat this, Antwerpen!).

IMG_0079Het voormalige PTT-gebouw is voor mij geen abstract begrip. Het modernistische artefact komt regelmatig aan bod in familieverhalen. In de jaren vijftig, zestig en zeventig speelde de grote post immers een belangrijke rol in het proto-telecomtijdperk. Toen de posterijen, telegrafen en telefonen nog onder één dak zaten kon je in het Oostendse hoofdkantoor voor premium services terecht. Ordinaire diensten, voornamelijk van postelijke aard, regelde je bij de lokale dealer, maar voor grotere operaties, daarvoor moest je naar de Henri Serruyslaan. De telefoon dus. Niet enkel de aanvraag van het nummer of de papierwinkel voor het toestel werden er afgehandeld, maar ook het uitpraten van conflicten met de PTT. Toen je je nog niet kon ergeren aan elektronische helpdeskstemmen, waren de gebeurlijke vermaningen door plichtsbewuste beambten wél een bron van irritatie. Wie in die tijd na het afronden van het gesprek de hoorn te lang uit het toestel liet liggen werd automatisch afgesloten. Om de connectie te herstellen moest je de beambte op blote knieën om absolutie vragen: “Pas maar op, want volgende keer krijg je geen verbinding meer hé. Altijd de hoorn opnieuw inhaken. Begrepen?”, aldus de legende. Die reactivatie kon gebeuren door een andere telefoon te zoeken en hen te bellen… of door in de grote post de boete te betalen.

Je kon er tot voor enkele jaren met al je besognes terecht. Ik herinner me nog dat ik er met mijn grootmoeder ben geweest om in de mooie maar donkere lokettenzaal een administratief akkefietje te regelen. Oudere mensen hadden toen al wat last om de steile trappen en de daarop volgende draaideur te trotseren.

IMG_0044IMG_0030Gelukkig kunnen hun opvolgers opnieuw naar hartelust klimmen en draaien. De Grote Post (nu als eigennaam) wordt een cultuurcentrum met alle faciliteiten die daarbij horen: podium- en filmzalen, artistieke ateliers, een café des arts én een amphitheater in de vroegere binnenplaats. De diverse componenten zijn via luchthavenslurven met elkaar verbonden zodat je op topdagen probleemloos van de ene performance naar de andere kan wandelen. Tijdens het openingsweekend heeft het concept alvast die stresstest doorstaan. Euforie is een slechte drijfveer voor voorspellingen, maar voor één keer laten we ons gaan: deze infrastructuur heeft een gigantisch potentieel. Een beetje creatief artistiek directeur kan De Grote Post feilloos op de culturele kaart zetten. Het programma voor het volgende jaar is veelbelovend. Wie te klein is voor de kursaal maar te groot voor een parochiezaal kan in Oostende weer volop terecht. U weze meer dan welkom.

 

 

http://www.flickr.com/apps/slideshow/show.swf?v=122138

Nighthawks for president

<!–hoppernighthawks–>Schroom overvalt mij als ik wil schrijven over iets waar ik nauwelijks mee vertrouwd ben, maar voor Edward Hopper (1882-1967) zet ik die gêne met plezier aan de kant. De rust die ’s mans werken uitstraalt is zo indrukwekkend dat ik geen enkel valabel argument vond om niét naar zijn overzichtstentoonstelling in het Grand Palais te trekken. Het gebeurt de laatste jaren wel vaker dat grote Parijse musea expositieruimtes enkele maanden uitlenen aan het oeuvre van buitenlandse artiesten die je niet meteen met de lichtstad associeert. Twee jaar geleden bezochten we in het Musée d’Orsay de grote collectie Ensors (die overigens al in het MoMa was tentoongesteld) en volgend jaar komt Roy Lichtenstein naar Parijs. De Franse hoofdstad is te dichtbij om die enige kansen aan ons voorbij te laten gaan.

Hopper’s magnum opus zagen we al in het Art Institute in Chicago. Naar Nighthawks kan je uren turen en het vat de essentie van de Amerikaanse artiest samen: een geniaal gegoochel met lichtinval en schaduw, gecombineerd met realistische figuren waarover je je meer vragen wil stellen dan strikt noodzakelijk is. Wat gaat er om in het hoofd van de man en de vrouw die doelloos voor zich uit staren? Zitten ze met problemen waar iedereen in de grootstad mee kampt? Relatieperikelen, geldzorgen of het gemis van een pas overleden dierbare? En die garçon, wacht hij tot de laatste klanten ophoepelen of doet hij braaf zijn werk zoals elke avond? De man bij het zoutvat vertoont alvast geen aanstalten om snel te vertrekken. Zijn boek lijkt nog niet uit te zijn. Met wat goede wil en zin voor anachronisme zie je er zelfs een iPad Mini in. Subliem. Bovendien is het origineel exemplaar groter dan je zou denken, zodat elk detail perfect zichtbaar is. Kortom, was Nighthawks een Amerikaans politicus, dan werd hij wegens zijn mensenkennis zonder campagne te voeren makkelijk tot president verkozen.

In Parijs zagen we hoe Hopper doorheen zijn ganse leven is geëvolueerd. Als jongeman trok hij drie keer naar de stad om de stiel te leren. Het werd al snel duidelijk dan hij toen nog niet in staat was om Nighthawks (1942) te schilderen. De weergave van een binnenkoer van een klein Parijs huisje was niet meteen een meesterwerk, maar het bevatte desalniettemin alle ingrediënten waaraan hij zijn ganse leven zou wijden. Al kon hij er zijn boterham nog niet mee verdienen, want intussen was Hopper aan de slag gegaan als illustrator van talloze tijdschriftcovers of cartoons. Die staken hem jammer genoeg in een carcan: hij diende rekening te houden met de stijl van de opdrachtgever.

Gelukkig kon Edward Hopper later wel zijn zin doen. Zijn taferelen laten ons binnenpiepen in Main Street America van voor, tijdens en na de tweede wereldoorlog. Het leven zoals het is: huizen, appartementsgebouwen, tankstations, spoorwegen, kortom, het alledaagse leven van de gewone man. En die mocht af en toe toch ook eens tot rust komen. Hopper’s beelden van de Atlantische stranden uit het hoge noordoosten van de Verenigde Staten, vuurtorens incluis, doen ons bibberen van kou, maar verpletteren tegelijk dat laatste greintje zin om naar één van onze Costa’s te trekken. De kusten waar de Sandy’s en consoorten af en toe lelijk huishouden moeten toch ook de moeite waard zijn. Edward Hopper is de beste reclame om enigszins melancholische Amerikanofielen naar Massachusetts en Maine te laten afreizen. Lange strandwandelingen en roadtrips langs dorpen waar de American Dream ooit de harde realiteit was.

Haast u, want het aantal tickets slinkt met het uur.

The TEDxFlanders Experience

Het drieletterwoord TED associeer ik voor eeuwig en één dag met de betreurde Ted Kennedy. De lion of the Senate wàs niet alleen Amerika, hij kon ons altijd boeien met zijn enthousiast pleidooi voor de bescherming van de gewone man in de States. Maar vreest niet: voor vurige betogen kan je nu terecht bij die andere Ted, zij het integraal in hoofdletters. Met de leuze ideas worth spreading trekt men van oord naar oord. Het concept is simpel: in tien minuten vertellen pientere dames en heren hoe ze met een eigen idee de wereld pogen te verbeteren. De één na de andere. We willen het wel eens een kans geven.

Hoewel. Zo makkelijk raak je er niet binnen. Om een kaartje te bemachtigen moest je zelf een mini-TED-conference insturen. Met goed gevolg: “You seem an interesting person” bereikte mijn mailbox, “I’ll give you an invite”. Die invite kwam pas te elfder ure aan na een reminder van mijnentwege, maar goed: de organisatie draait op vrijwilligers en we hebben best wat begrip voor een gebeurlijke chaos. Het e-ticket vermeldde terloops dat we bij aankomst een vraag moesten noteren waarover gedebatteerd kon worden, want er stonden enkele interactieve workshops op het programma. Part of the TEDx Experience. Het is een totaalconcept: je luistert niet enkel, maar je stimuleert ook het opborrelen van nieuwe ideeën. Hey man! De tijd dat we ter plekke de wereld zouden verbeteren ligt al weer een decennium achter ons. U begrijpt dat mijn enthousiasme bij aankomst danig aan het zakken was, maar geen nood: het was allemaal zo goed georganiseerd dat we eigenlijk konden doen wat we wilden. En dat was zitten en luisteren.

Voorwaar Bart Moeyaert opende de show. In lieflijk Engels bracht hij een ode aan het woord en de taal om er mee aan introspectie te doen, het thema van de dag. Aandoenlijk, maar voor zeemzoet entertainment waren we niet naar Antwerpen afgezakt. Waar waren de echte ideeën gebleven? Wel, laat ons eerlijk zijn: TEDxFlanders nam een vliegende start. Met Suzanne Lee zagen we hoe je via bacteriën textiel kon vervaardigen. Het leek wel het archetype van een TED-talk: vanuit haar kinderlijke fascinatie voor space-prullaria zocht ze hoe ze op een milieuvriendelijke manier die kitscherige Star Trek-kleren kon ontwerpen. Via een bacteriëncultuur, zo bleek, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. Niet meteen geschikt voor serieproductie, maar met een origineel en toch niet geheel onrealistisch idee bekeek ze de wereld vanuit een ander perspectief. Het TED-publiek hing aan haar lippen. Wij ook.

Een volgende spreker, Chris Van Hoof, vertelde ons waarom en hoe we van curatieve naar preventieve geneeskunde zullen evolueren. Je weet welk weer het morgen zal zijn, maar niet hoe je gezondheidstoestand er uit zal zien. Laat ons dat eens proberen te voorspellen, opnieuw op een wetenschappelijk verantwoorde manier. Zijn werkgever had intussen al een bruikbaar en betaalbaar instrument ontworpen waarmee alle lichamelijke processen worden geregistreerd om zodoende een relatief betrouwbare prognose te kunnen geven. En die werkgever stond er in koeien van letters op: Imec. Dit soort evenementen zijn voor hen uiteraard mooi meegenomen, maar Imec liet alvast niet na een boeiend verhaal te vertellen.

Jammer genoeg begon TED de goede sfeer zelf wat te verpesten: af en toe kwam een filmpje of een spreekbuis van vlees en bloed vertellen hoe goed ze zelf wel waren. Een show à l’Américaine: we waanden ons bijwijlen op de driemaandelijkse keynote speech van Apple. Vrijwilligers vertalen de presentaties in tientallen talen zodat zowat iedereen ter wereld kennis kan maken met die ideas worth spreading. Pater Damiaan leeft: ze voerden zichzelf precies als semi-heiligen op. Zaligen dus, maar het lag er allemaal veel te dik op. Tussendoor begon het niveau van de speeches danig te dalen en hadden de ingehuurde artiesten duidelijk een slechte dag. U ziet het: op die manier maakten ze het de kritische kijker wel heel erg moeilijk om te blijven plakken. Toen de organisatie ook nog aankondigde dat het voorziene noenmaal met een begeleider zou verlopen, die het eetpatroon op de opborrelende ideeën zou afstemmen, hadden we het helemaal begrepen.

Conclusie van een halve dag TED: bij fantastische sprekers waren we één en al oor, door de zwakke intermezzo’s en de lichte vorm van zelfgenoegzaamheid hadden we er al snel onze buik van vol. Dit werkt niet bij mensen die hun studententijd al een tijdje achter de rug hebben. Een gemiste kans om er een fan bij te hebben. Jammer, want jullie waren sterk begonnen.

Ampelmännchen

<!–IMG_5901–>Na een retour uit Berlijn krijg ik steeds ongewild last van een milde vorm van Ostalgie. Neen, rondwandelen met een potsierlijke kepie is niet aan mij besteed, een dagelijks DDR-noenmaal al evenmin. Wees gerust: er staat zelfs geen levensechte Trabant in de garage die ik niet heb. Desalniettemin kon ik één ding absoluut niet laten liggen in de KaDeWe, het Kaufhaus des Westens: een theekop met het Ampelmännchen er op. Na al die jaren is het mannetje hét symbool van de Ostalgie geworden. En, laten we eerlijk zijn, slecht is het niet: zelfs kleurenblinden en slechtzienden kunnen er duidelijk het onderscheid tussen stappen en stoppen mee maken. Het is zo populair dat er zelfs in het Westen van het land vraag is om de afbeelding in het straatmeubilair te introduceren. Op sommige plaatsen is het er – in aangepaste versie – effectief gekomen; the real stuff vind je toch voornamelijk in Berlijn. Maar niet overal, want het Westerse mannetje maakt ook daar zijn opwachting. Moet dat weinige goede van de DDR écht voor de bijl? Gun de schare melancholici toch hun pleziertje…

Hatikva

<!–DSC_7395–>Eenmaal je in Israel bent geweest laat het land je niet meer los. Nooit meer. Het zet je aan het lezen en aan het denken over hoe de vork er nu precies aan de steel zit. Hoe meer je er mee bezig bent, hoe meer je ziet dat iedere openbare vaststelling een politieke stellingname inhoudt. Elke uitspraak kan je in een kamp plaatsen. We hebben ter plekke veel gezien en kanttekeningen moeten plaatsen bij het discours dat het laatste decennium in Westerse kringen wordt gebezigd. Daarover in een latere post meer, want elke ongefundeerde uitspraak wordt in deze context tot onzin gereduceerd.

Maar toch: de Joodse geschiedenis ligt mij na aan het hart. Hun eeuwenlange struggle for life in Europa is een verhaal dat je niet onberoerd kan laten, met de Holocaust als absolute dieptepunt. De waarde van dit filmpje, waarvan een fragment ook al een tijdje op Wikipedia is te vinden, kan gewoon niet overschat worden. Enkele dagen na de bevrijding van het concentratiekamp van Bergen-Belsen zongen de fel vermagerde overlevenden met zwakke stem maar mét overtuiging Hatikva. Het lied dateert uit het einde van de negentiende eeuw en drukt de hoop uit om ooit terug te keren naar het beloofde land. De emotie van de survivors moet bij het zingen gewoon onmetelijk geweest zijn. Hatikva werd later het volkslied van Israel.

Enkele jaren geleden werd datzelfde Hatikva door een heel speciaal orkest voor de Klaagmuur in Jeruzalem opgevoerd. De intussen gerestaureerde instrumenten waren ooit eigendom van Joodse Holocaust-slachtoffers. Hatikva.

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

Omhoog ↑